Bij een zware beving langs een breuk onder zee schiet de zeebodem soms meters omhoog of omlaag en tilt de hele waterkolom erboven mee. Ook onderzeese aardverschuivingen, vulkaanuitbarstingen en meteorietinslagen kunnen een tsunami veroorzaken. Anders dan een gewone golf, die alleen het oppervlak beroert, beweegt bij een tsunami het water van oppervlak tot bodem.
Tsunami's hebben een golflengte van 100 tot 200 km of meer. Daardoor gedragen ze zich als ondiepwatergolven, met snelheid v = √(g·h). Boven een oceaandiepte van 4000 m is dat √(9,81 × 4000) ≈ 200 m/s, ruim 700 km/h: zo snel als een straalvliegtuig. Op open zee is de golf vaak minder dan een meter hoog en merken schepen er niets van. Nadert hij de kust, dan remt hij af en wordt de golf veel hoger. Vaak trekt de zee zich eerst terug: een belangrijk waarschuwingsteken.
De tsunami in de Indische Oceaan van 26 december 2004 (beving met magnitude 9,1) kostte ongeveer 230.000 mensen het leven. In 2011 bereikte de tsunami na de Tohoku-beving in Japan op sommige plekken een hoogte van bijna 40 m en veroorzaakte hij de kernramp van Fukushima. Ook de Noordzee is niet immuun: rond 8150 jaar geleden veroorzaakte de Storegga-aardverschuiving voor de Noorse kust een tsunami die de kusten van Schotland en het toenmalige Doggerland trof.
In welke discipline?
Aardwetenschappen (plaattektoniek en oceanografie) en natuurkunde (golven).