De maan trekt harder aan de kant van de aarde die naar haar toe gekeerd is dan aan het midden van de aarde, en daar weer harder dan aan de achterkant. Door dat verschil in aantrekkingskracht, de getijdenkracht, ontstaan twee vloedbergen: één aan de maankant en één aan de tegenovergestelde kant. Terwijl de aarde onder die bulten doordraait, beleeft de kust meestal twee keer vloed en twee keer eb per 24 uur en 50 minuten. Tussen twee hoogwaters zit dus ongeveer 12 uur en 25 minuten.
De zon veroorzaakt ook getijden, maar die zijn nog niet de helft zo sterk als die van de maan. Staan zon, aarde en maan op één lijn (bij nieuwe en volle maan), dan versterken ze elkaar: springtij, met extra hoge vloed en lage eb. Staan ze haaks op elkaar (bij eerste en laatste kwartier), dan is het doodtij en is het verschil tussen eb en vloed het kleinst.
Hoe groot het getijverschil is, hangt sterk af van de vorm van kust en zeebodem. Bij Den Helder is het gemiddeld ongeveer 1,5 m, bij Vlissingen bijna 4 m, en in de Bay of Fundy in Canada tot wel 16 m. In de Waddenzee valt bij eb een groot deel van de bodem droog, zodat je kunt wadlopen. De getijstromen voeren ook zand en slib mee en vormen zo geulen en platen; bij stormvloed kan het samenvallen van springtij en harde wind gevaarlijk hoog water geven, zoals bij de Watersnoodramp van 1953.
In welke discipline?
Oceanografie (aardwetenschappen), sterrenkunde en natuurkunde (zwaartekracht).