Pijlerartikel · Oceanografie

Getijden

Getijden zijn de regelmatige stijgingen en dalingen van het zeeniveau, twee keer per dag in de meeste kustgebieden. De zwaartekracht van vooral de maan, en in mindere mate de zon, trekt aan het water op aarde. Daardoor bolt de oceaan uit aan de kant die naar de maan toe staat — en, door de aardrotatie en centrifugale effecten, ook aan de tegenovergestelde kant. Op andere plekken zakt het water juist iets.

De zwaartekracht van de maan

Een vereenvoudigde uitleg: de maan trekt aan al het water op aarde. Het water het dichtst bij de maan beweegt het meest mee — dat geeft een uitstulping aan de "maankant". Aan de tegenovergestelde kant blijft het water relatief achter ten opzichte van het middelpunt van de aarde — daar ontstaat een tweede uitstulping.

Omdat de aarde in 24 uur ronddraait en de maan zelf ook traag verschuift, passeert elke plek meestal twee hoge en twee lage waters per dag (ongeveer 12 uur 25 minuten tussen twee hoogwaters).

Springtij en doodtij

  • Springtij — bij nieuwe of volle maan staan zon, aarde en maan op één lijn. De zwaartekrachten versterken elkaar; hoogwater is extra hoog, laagwater extra laag.
  • Doodtij — bij eerste of laatste kwartier staan ze haaks op elkaar. De krachten heffen elkaar deels op; het verschil tussen hoog- en laagwater is kleiner.

Waarom op elke plek anders?

De hoogte van het getij hangt af van vorm van kust en bodem. In open oceaan vaak maar tientallen centimeters; in de Baai van Fundy (Canada) tot 16 meter. Het Middellandse Zeegebied heeft een klein getijdenverschil — de zee is bijna afgesloten van de oceaan.

Energie uit getijden

Op enkele plekken wordt het getijdenverschil ingezet voor stroomopwekking: een dam laat water bij hoogwater binnen en bij laagwater uit, beide keren door een turbine. Frankrijk (La Rance) en Zuid-Korea hebben grote getijdencentrales.

Verwante begrippen

Verder lezen