Het periodiek systeem heeft 7 perioden. Het periodenummer is gelijk aan het aantal (hoofd)schillen waarover de elektronen verdeeld zijn. Natrium (Z = 11) heeft de elektronenverdeling 2, 8, 1: drie schillen, dus periode 3. De perioden zijn niet even lang: periode 1 telt 2 elementen (H en He), periode 2 en 3 elk 8, periode 4 en 5 elk 18, en periode 6 en 7 elk 32 — inclusief de lanthaniden en actiniden die meestal los onder de tabel staan.
Binnen een periode lopen eigenschappen geleidelijk op. Van links naar rechts wordt de atoomstraal kleiner (de kernlading neemt toe terwijl het aantal schillen gelijk blijft), stijgt de elektronegativiteit en gaan de elementen van metaal via metalloïde naar niet-metaal. Elke periode eindigt met een edelgas. Juist die herhaling van eigenschappen per rij gaf het ‘periodiek’ systeem zijn naam.
Examenvraag: ‘Welk element staat in periode 4, groep 17?’ — dat is broom (Br, Z = 35), met elektronenverdeling 2, 8, 18, 7. Let op: in de natuurkunde betekent periode (symbool T) iets anders, namelijk de trillingstijd: de tijd voor één volledige trilling, met T = 1 / f (zie frequentie).
In welke discipline?
Scheikunde (periodiek systeem). In de natuurkunde: trillingstijd bij golven en trillingen.