Pijlerartikel · Periodiek systeem

Groepen en perioden in het periodiek systeem

Het periodiek systeem heeft 18 groepen (de verticale kolommen) en 7 perioden (de horizontale rijen). Elementen in dezelfde groep hebben evenveel valentie-elektronen en lijken daardoor chemisch op elkaar. Het periodenummer geeft aan hoeveel elektronenschillen een atoom heeft: een element met 3 schillen staat in periode 3. In elk vakje lees je het atoomnummer af, en dat is gelijk aan het aantal protonen.

Het periodiek systeem is geen willekeurige lijst. Dmitri Mendelejev zette in 1869 de toen bekende elementen op volgorde van atoommassa en ontdekte dat eigenschappen zich periodiek herhalen. Tegenwoordig staan de elementen op volgorde van atoomnummer. Wie de indeling in groepen, perioden en blokken begrijpt, kan van een onbekend element al veel voorspellen: hoe groot het atoom is, welk ion het vormt en of het een metaal is. De bouw van het atoom zelf staat in atoomstructuur.

Zo lees je een vakje in het periodiek systeem

Elk vakje bevat vier gegevens. Neem natrium als voorbeeld:

  • Atoomnummer (Z) = 11. Dit is het aantal protonen in de kern. Een neutraal atoom heeft evenveel elektronen als protonen, dus natrium heeft 11 elektronen.
  • Symbool Na (van het Latijnse natrium). Het symbool begint altijd met een hoofdletter; een eventuele tweede letter is klein.
  • Naam: natrium.
  • Relatieve atoommassa = 22,99 u. Dit is het gewogen gemiddelde van alle natuurlijke isotopen. Afgerond is het massagetal van de meest voorkomende isotoop 23, dus natrium-23 heeft 23 − 11 = 12 neutronen.

Zo beantwoord je de vraag “hoe zie je in het periodiek systeem hoeveel protonen of elektronen een atoom heeft?”: het atoomnummer geeft het aantal protonen, en bij een neutraal atoom ook het aantal elektronen. Bij een ion pas je het aantal elektronen aan: Na⁺ heeft er 10, Cl⁻ heeft er 18. Het aantal neutronen staat er niet direct in; dat bereken je met massagetal − atoomnummer. Meer over natrium staat op de pagina natrium.

De 18 groepen: namen en eigenschappen

Een groep is een verticale kolom. Het groepsnummer loopt van 1 tot en met 18 volgens de IUPAC-nummering. Oudere boeken gebruiken nog Romeinse cijfers met A en B (groep 17 heette VIIA). Voor de hoofdgroepen geldt een handige regel: in groep 1 en 2 is het aantal valentie-elektronen gelijk aan het groepsnummer, in groep 13 tot en met 18 is het het groepsnummer min 10.

De groepen van het periodiek systeem
GroepNaamElementenValentie-e⁻Kenmerken
1alkalimetalen (zonder H)Li, Na, K, Rb, Cs, Fr1zachte metalen, reageren heftig met water, vormen ionen met lading 1+
2aardalkalimetalenBe, Mg, Ca, Sr, Ba, Ra2reactieve metalen, ionen met lading 2+, kalk (CaCO₃)
3scandiumgroepSc, Y (+ La/Lu)wisselendovergangsmetalen (d-blok): hard, goede geleiders, vaak meerdere ionladingen (Fe²⁺ en Fe³⁺, Cu⁺ en Cu²⁺) en gekleurde verbindingen
4titaangroepTi, Zr, Hf
5vanadiumgroepV, Nb, Ta
6chroomgroepCr, Mo, W
7mangaangroepMn, Tc, Re
8ijzergroepFe, Ru, Os
9kobaltgroepCo, Rh, Ir
10nikkelgroepNi, Pd, Pt
11kopergroep (muntmetalen)Cu, Ag, Au
12zinkgroepZn, Cd, Hg
13boorgroepB, Al, Ga, In, Tl3aluminium vormt Al³⁺; boor is een metalloïde
14koolstofgroepC, Si, Ge, Sn, Pb4van niet-metaal (C) via halfgeleiders (Si, Ge) naar metaal (Sn, Pb)
15stikstofgroepN, P, As, Sb, Bi5stikstof en fosfor zijn niet-metalen, bismut is een metaal
16zuurstofgroep (chalcogenen)O, S, Se, Te, Po6vormen ionen met lading 2− (O²⁻, S²⁻)
17halogenenF, Cl, Br, I, At7zeer reactieve niet-metalen, komen voor als twee-atomige moleculen (Cl₂), ionen 1−
18edelgassenHe, Ne, Ar, Kr, Xe, Rn, Og8 (He: 2)volle buitenschil, vrijwel niet reactief

Waterstof staat in groep 1 omdat het één elektron heeft, maar het is geen alkalimetaal: het is een gas dat moleculen H₂ vormt. De groepen 1, 2 en 13 tot en met 18 heten samen de hoofdgroepen; daar werkt de valentieregel netjes. Bij de overgangsmetalen (groep 3–12) wordt een binnenschil gevuld, waardoor één vaste lading ontbreekt.

Waarom lijken elementen in een groep op elkaar? Het chemisch gedrag wordt bepaald door de valentie-elektronen, de elektronen in de buitenste schil. Natrium (2,8,1) en kalium (2,8,8,1) hebben allebei één valentie-elektron en staan dat graag af. Daarom reageren ze allebei heftig met water tot een base en waterstofgas, en vormen ze allebei een ion met lading 1+. De edelgassen in groep 18 hebben een volle buitenschil en reageren nauwelijks. Hoe valentie-elektronen bindingen vormen, lees je in chemische bindingen.

Perioden: het aantal elektronenschillen

Een periode is een horizontale rij. Het periodenummer is gelijk aan het aantal elektronenschillen waarover de elektronen in de grondtoestand verdeeld zijn. Het element met 3 elektronenschillen staat dus in periode 3: dat zijn natrium tot en met argon.

De zeven perioden
PeriodeAantal elementenVan … tot …Schillen
12H – HeK
28Li – NeK, L
38Na – ArK, L, M
418K – Kr4 schillen
518Rb – Xe5 schillen
632Cs – Rn6 schillen
732Fr – Og7 schillen

Voorbeeld. Chloor heeft atoomnummer 17. De elektronenverdeling is 2, 8, 7: drie schillen, dus periode 3; zeven valentie-elektronen, dus groep 17. Calcium (Z = 20) heeft 2, 8, 8, 2: vier schillen en twee valentie-elektronen, dus periode 4 en groep 2. Met deze twee stappen vind je de plaats van elk hoofdgroepelement.

De lanthaniden (La–Lu) en actiniden (Ac–Lr) horen in periode 6 en 7, maar ze staan los onderaan de tabel. Anders zou het systeem 32 kolommen breed worden en niet meer op een bladzijde passen.

Blokken: s, p, d en f

Binnen de schillen zitten subschillen (orbitalen) met de namen s, p, d en f. Het blok vertelt welke subschil als laatste wordt gevuld:

  • s-blok: groep 1 en 2, plus helium. Het laatste elektron gaat in een s-orbitaal (max. 2 elektronen, dus 2 kolommen).
  • p-blok: groep 13 tot en met 18 (max. 6 elektronen, 6 kolommen). Hier staan alle niet-metalen behalve waterstof en helium.
  • d-blok: groep 3 tot en met 12, de overgangsmetalen (max. 10 elektronen, 10 kolommen).
  • f-blok: de lanthaniden en actiniden (max. 14 elektronen, 14 kolommen).

De vorm van het periodiek systeem volgt dus direct uit de opbouw van de elektronenwolk: 2 + 6 + 10 + 14 = 32 elementen in periode 6 en 7. Op havo/vwo-niveau werk je meestal alleen met het schillenmodel (2, 8, 18, …); de blokken komen terug bij vwo en in het hoger onderwijs.

Metalen, niet-metalen en metalloïden

Ruim driekwart van alle elementen is een metaal. Een getrapte lijn van boor (B) via silicium (Si), arseen (As) en telluur (Te) scheidt ze van de niet-metalen rechtsboven. Op die lijn liggen de metalloïden, met eigenschappen van beide kanten. Silicium en germanium zijn halfgeleiders, de basis van elke computerchip (zie halfgeleiders). Metalen geleiden stroom en warmte, glanzen en zijn vervormbaar (zie metalen en legeringen); niet-metalen zijn vaak gassen of brosse vaste stoffen.

Omdat de elektronenbouw regelmatig verandert, veranderen ook eigenschappen regelmatig. Twee effecten verklaren bijna alles. Van links naar rechts in een periode komen er protonen bij terwijl het aantal schillen gelijk blijft: de kern trekt harder aan de buitenste elektronen. Van boven naar beneden in een groep komt er steeds een schil bij: de buitenste elektronen zitten verder van de kern en worden afgeschermd door de binnenste schillen.

Vier periodieke trends
EigenschapLinks → rechtsBoven → benedenVoorbeeld
Atoomstraalneemt afneemt toeNa ≈ 186 pm, Cl ≈ 99 pm
Ionisatie-energieneemt toeneemt afNa 496 kJ/mol, Cl 1251 kJ/mol, He 2372 kJ/mol (hoogste)
Elektronegativiteitneemt toeneemt afF 4,0 (hoogste), O 3,4, Cl 3,2, Na 0,9, Cs 0,8
Metaalkarakterneemt afneemt toeNa metaal, Si metalloïde, Cl niet-metaal

Atoomstraal. Natrium en chloor hebben allebei drie schillen, maar chloor heeft 6 protonen meer. De sterkere aantrekking trekt de elektronenwolk in elkaar: het chlooratoom is bijna half zo groot.

Ionisatie-energie is de energie die nodig is om het buitenste elektron los te maken. Voor natrium is dat weinig, voor helium het meest van alle elementen. Daarom vormt natrium gemakkelijk Na⁺ en vormt helium nooit een ion in een gewone reactie.

Elektronegativiteit (schaal van Pauling) zegt hoe sterk een atoom in een binding aan de gedeelde elektronen trekt. Fluor is het sterkst. Een groot verschil in elektronegativiteit, zoals tussen Na (0,9) en Cl (3,2), levert een ionbinding op; een klein verschil een (polaire) atoombinding.

Metaalkarakter is de neiging om elektronen af te staan. Het is het sterkst linksonder (cesium, francium) en het zwakst rechtsboven (fluor). Edelgassen tellen hier niet mee.

De reactiviteit volgt deze trends, maar verschilt per kant. Bij alkalimetalen neemt ze naar beneden toe: lithium bruist rustig in water, natrium smelt en schiet rond, kalium vliegt in brand. Bij halogenen neemt ze naar beneden af: fluor is het meest reactieve element dat er is, jood reageert veel trager. Het verschil: metalen stáán elektronen af (makkelijker met een grote straal), niet-metalen némen ze op (makkelijker met een kleine straal).

Veelgestelde vragen

Hoeveel groepen heeft het periodiek systeem?

Het periodiek systeem heeft 18 groepen (verticale kolommen) en 7 perioden (horizontale rijen). Bekende groepen zijn de alkalimetalen (groep 1), de aardalkalimetalen (groep 2), de halogenen (groep 17) en de edelgassen (groep 18).

Wat zegt het groepsnummer in het periodiek systeem?

Het groepsnummer geeft het aantal valentie-elektronen aan. In groep 1 en 2 is dat gelijk aan het groepsnummer, in groep 13 tot en met 18 is het groepsnummer min 10. Elementen in dezelfde groep hebben daardoor vergelijkbare chemische eigenschappen.

In welke horizontale rij staat het element met 3 elektronenschillen?

In periode 3, de derde horizontale rij. Het periodenummer is gelijk aan het aantal elektronenschillen. Periode 3 loopt van natrium (Na) tot en met argon (Ar).

Hoe zie je in het periodiek systeem hoeveel protonen of elektronen een atoom heeft?

Het atoomnummer in het vakje is het aantal protonen. Een neutraal atoom heeft evenveel elektronen als protonen. Bij een ion tel je elektronen erbij (negatieve lading) of haal je ze eraf (positieve lading).

Wat is het verschil tussen een groep en een periode?

Een groep is een verticale kolom met elementen die evenveel valentie-elektronen hebben en chemisch op elkaar lijken. Een periode is een horizontale rij met elementen die evenveel elektronenschillen hebben.

Welk element is het meest elektronegatief?

Fluor, met een elektronegativiteit van 4,0 op de schaal van Pauling. Elektronegativiteit neemt toe van links naar rechts en af van boven naar beneden, dus de hoogste waarde zit rechtsboven (edelgassen niet meegerekend).

Verder lezen