De drie subatomaire deeltjes
| Deeltje | Lading | Plaats | Massa (relatief) |
|---|---|---|---|
| Proton | +1 | kern | 1 |
| Neutron | 0 | kern | 1 |
| Elektron | −1 | schillen | ≈ 1/1836 |
Atoomnummer en massagetal
- Atoomnummer (Z) = aantal protonen. Bepaalt welk element het is.
- Massagetal (A) = protonen + neutronen.
- Aantal neutronen = A − Z.
- Een neutraal atoom heeft evenveel elektronen als protonen.
Isotopen
Atomen van hetzelfde element met een verschillend aantal neutronen heten isotopen. Voorbeeld: koolstof-12 (de standaardvorm) en koolstof-14 (radioactief, gebruikt voor datering). Chemisch gedragen ze zich gelijk, maar hun massa en stabiliteit verschillen.
Elektronenschillen
Elektronen bezetten energieniveaus (schillen) genummerd K, L, M, N, ... Per schil passen maximaal 2n² elektronen — 2, 8, 18, 32. De buitenste schil (valentieschil) bepaalt de chemische eigenschappen. Atomen met een volle buitenste schil (edelgassen) zijn nauwelijks reactief.