Pijlerartikel · Kwantumfysica

Atoommodel van Bohr

Het atoommodel van Bohr (1913) stelt dat elektronen in vastomschreven cirkelvormige banen rond de atoomkern draaien — niet in een willekeurige baan, maar alleen op specifieke afstanden. Elke baan komt overeen met een specifiek energieniveau. Bij een sprong tussen niveaus geeft of absorbeert het atoom een foton. Het model werkt vooral voor waterstof en verklaart de scherpe spectraallijnen die met klassieke fysica niet te verklaren waren.

De drie postulaten

  1. Elektronen draaien alleen in bepaalde stabiele banen om de kern.
  2. In zo'n baan stralen ze geen energie uit, ook al versnellen ze (in tegenspraak met klassieke fysica).
  3. Een sprong van een hogere naar een lagere baan stuurt een foton uit met energie E = h·f = E_hoog − E_laag.

Spectraallijnen van waterstof

Bohrs grote succes: hij voorspelde precies de golflengtes van het lichtspectrum dat waterstof uitzendt. Elke lijn correspondeert met een elektron dat van een hoger niveau naar een lager niveau valt. De Balmer-reeks (zichtbaar licht) en de Lyman-reeks (UV) waren al gemeten — Bohr kon hun positie berekenen.

Energie van een baan

E_n = −13,6 eV / n²

Met n het kwantumgetal (1, 2, 3, …). De grondtoestand n=1 ligt op −13,6 eV; daarboven volgen steeds dichter bijeen geplakte niveaus tot nul (vrij elektron).

Beperkingen

Het model werkt mooi voor waterstof, maar al voor helium loopt het mis. Het Bohr-model neemt baan en plaats van het elektron als concrete grootheden — iets dat de latere kwantummechanica corrigeert: elektronen hebben geen baan, alleen een waarschijnlijkheidsverdeling.

Verwante begrippen

Verder lezen