Elk element heeft een eigen symbool van één of twee letters, vaak afgeleid van de Latijnse naam: H (waterstof, Z = 1), C (koolstof, Z = 6), Fe (ijzer, ferrum, Z = 26), Au (goud, aurum, Z = 79). Er zijn 118 elementen bekend, van waterstof tot oganesson; ongeveer 94 daarvan komen in de natuur voor, de rest is alleen in laboratoria gemaakt. Dmitri Mendelejev ordende de toen bekende elementen in 1869 in het periodiek systeem, in rijen (perioden) en kolommen (groepen).
Atomen van hetzelfde element kunnen verschillen in het aantal neutronen; dat zijn isotopen. Koolstof-12 en koolstof-14 zijn allebei koolstof, want ze hebben allebei 6 protonen. Het aantal protonen bepaalt het aantal elektronen in het neutrale atoom en daarmee het chemische gedrag.
Let op het verschil met een stof. Zuurstofgas (O₂) en ozon (O₃) zijn allebei niet-ontleedbare stoffen van één element; water (H₂O) is een verbinding van twee elementen en kun je ontleden, bijvoorbeeld met elektrolyse. Examenvraag: ‘Is ozon een element of een verbinding?’ — ozon bestaat uit één atoomsoort, dus het is een niet-ontleedbare stof (enkelvoudige stof) van het element zuurstof. In de aardkorst is zuurstof het meest voorkomende element (ongeveer 46 massaprocent), in het heelal is dat waterstof (circa 74 %).
In welke discipline?
Scheikunde (periodiek systeem, atoombouw) en natuurkunde (kernfysica).