Hoe ze ontstaan
De buitenste schil van de aarde (de lithosfeer) bestaat uit een dozijn grote en talloze kleinere platen. Aan de plaatranden bewegen ze:
- Uit elkaar — mid-oceanische ruggen.
- Naar elkaar toe — subductie- en botsingszones.
- Langs elkaar — transformbreuken, zoals de San Andreas-breuk.
Bij elke beweging bouwt zich elastische spanning op in het gesteente. Als die de breuksterkte overschrijdt, breekt het gesteente — een aardbeving. Het brekpunt heet het hypocentrum; de plek aan het oppervlak er recht boven is het epicentrum.
Drie soorten golven
- P-golven (primair) — longitudinale golven, snelste (≈ 6 km/s), gaan door vaste stof en vloeistof.
- S-golven (secundair) — transversale golven, langzamer (≈ 3,5 km/s), gaan alleen door vaste stof.
- Oppervlaktegolven (Love- en Rayleigh-golven) — langzaamst maar zwaarste schade.
Het verschil in aankomsttijd tussen P- en S-golven op een seismograaf bepaalt de afstand tot het epicentrum.
Magnitude en intensiteit
| Schaal | Meet | Bereik |
|---|---|---|
| Magnitude (Richter / momentmagnitude) | Hoeveelheid vrijgekomen energie. | 1–9+ logaritmisch |
| Intensiteit (Mercalli, MSK) | Hoe sterk je het op een plek voelt. | I–XII Romeins |
De magnitudeschaal is logaritmisch: één punt erbij is ongeveer 32× meer energie. Een aardbeving van magnitude 8 komt met evenveel energie vrij als 1000 aardbevingen van magnitude 6.
Waar gebeurt het?
Bijna alle grote aardbevingen vinden plaats op of nabij plaatgrenzen. Hoge concentraties: de Ring van Vuur rond de Stille Oceaan, de Alpiene-Himalaya-gordel, en de mid-oceanische ruggen. In Nederland zijn natuurlijke aardbevingen zeldzaam, maar Groningen kent geïnduceerde bevingen door gaswinning.