Vulkaantypen
- Schildvulkaan — laag en breed, vloeibare lava (basalt). Voorbeeld: Mauna Loa op Hawaï.
- Stratovulkaan — kegelvormig, laag voor laag van lava en as. Voorbeeld: Vesuvius, Fuji.
- Caldera — gigantische krater na een super-uitbarsting. Voorbeeld: Yellowstone.
- Sintelkegel — klein, kortlevend; ontstaat in één uitbarsting.
Waar ontstaan ze?
- Subductiezones — een plaat duikt onder een andere. Het smeltende gesteente stijgt op. Voorbeeld: Andes, Ring van Vuur.
- Mid-oceanische ruggen — twee platen uit elkaar. Vulkanisme op de oceaanbodem (IJsland is een uitzondering boven water).
- Hotspots — een vaste pluim van heet materiaal uit de mantel. De plaat schuift erover; uitbarstingen vormen een keten van vulkanen (Hawaï-archipel).
Soorten uitbarstingen
De Volcanic Explosivity Index (VEI) gaat van 0 (rustig vloeiend) tot 8 (super-uitbarsting). Iedere stap omhoog betekent ongeveer tien keer meer uitgestoten materiaal:
- VEI 1-2 — Hawaïaans of strombolisch, mild.
- VEI 3-4 — Vulcaans of pelean, met aswolken.
- VEI 5-6 — Plinisch (Vesuvius 79 n.Chr., Pinatubo 1991).
- VEI 7-8 — super-uitbarsting, eens per 50.000-100.000 jaar.
Risico's
- Lavastromen — meestal langzaam, maar onstuitbaar.
- Pyroclastische stromen — gloeiende lawines van as en gas, tot 700 km/u, dodelijkste verschijnsel.
- Lahars — modderstromen.
- Aswolken — gevaarlijk voor luchtvaart en gezondheid.
- Klimaateffect — grote uitbarstingen koelen de aarde tijdelijk af (Tambora 1815: "jaar zonder zomer").