De drie hoofdgroepen
| Groep | Ontstaanswijze | Voorbeeld |
|---|---|---|
| Stollingsgesteente | Magma of lava stolt. | graniet, basalt |
| Sedimentgesteente | Sedimentlagen worden samengeperst. | zandsteen, kalksteen, schalie |
| Metamorf gesteente | Bestaande gesteenten veranderen door druk en hitte. | marmer, leisteen, gneis |
Stollingsgesteenten
Stollen kan op twee plekken:
- Dieptegesteente — magma koelt langzaam af in de aardkorst. Grote kristallen krijgen tijd om te groeien. Voorbeeld: graniet.
- Uitvloeiingsgesteente — lava stolt snel aan het oppervlak. Kleine of geen kristallen. Voorbeeld: basalt, puimsteen.
Sedimentgesteenten
Wind, water of ijs vervoeren losse deeltjes (zand, klei, schelpen). Die zakken neer in lagen op de bodem van een meer of zee. Door miljoenen jaren druk en cementatie wordt het tot vast gesteente. Sedimentgesteenten bevatten vaak fossielen — dat zijn de enige gesteenten waarin het leven uit het verleden bewaard blijft.
Metamorfe gesteenten
Bestaande gesteenten — stollings of sediment — komen onder hoge druk en temperatuur terecht (bv. door botsende continenten). Ze blijven vast (niet smelten) maar hun mineralen herkristalliseren in nieuwe vormen. Voorbeelden:
- Kalksteen → marmer
- Schalie → leisteen → fylliet → schist → gneis
- Zandsteen → kwartsiet
Bouwstenen: mineralen
Gesteenten bestaan uit mineralen — natuurlijk gevormde kristallijne stoffen met een vaste chemische samenstelling. De acht meest voorkomende mineralen in de aardkorst bevatten allemaal zuurstof en silicium (silicaten). Bekende voorbeelden: kwarts, veldspaat, mica, olivijn.