Plaattektoniek — bewegende continenten
Plaattektoniek is de theorie dat de buitenste schil van de Aarde uit grote, harde platen bestaat die over de hete, plastische mantel bewegen. Hun grenzen veroorzaken aardbevingen, vulkanen en gebergten — en hun beweging heeft over miljoenen jaren continenten verplaatst.
De buitenste schil van de Aarde — de lithosfeer — bestaat uit zeven grote platen en een tiental kleinere. Ze bewegen typisch enkele centimeters per jaar, ongeveer even snel als je vingernagels groeien. Op deze tijdschaal verlopen continentenverschuivingen langzaam, maar over miljoenen jaren verklaren ze waarom de kustlijnen van Zuid-Amerika en Afrika zo opvallend bij elkaar passen.
Alfred Wegener stelde de hypothese van continentendrift in 1912 voor. Lange tijd werd ze weggezet, totdat metingen aan de oceaanbodem in de jaren 1960 het mechanisme blootlegden: nieuwe oceaankorst ontstaat bij mid-oceanische ruggen en duwt de platen uiteen.
Drie soorten plaatgrenzen
- Divergente grenzen — platen spreiden uit elkaar; magma stroomt omhoog. Voorbeeld: de Mid-Atlantische Rug.
- Convergente grenzen — platen botsen. Eén plaat kan onder de andere duiken (subductie), waarbij vulkanen ontstaan, of beide kunnen omhoog plooien tot gebergten zoals de Himalaya.
- Transformgrenzen — platen schuiven langs elkaar. Voorbeeld: de San Andreas-breuk in Californië.
Gevolgen
- Aardbevingen ontstaan wanneer opgebouwde spanning langs een breuk plots vrijkomt.
- Vulkanen komen vooral voor langs subductiezones (zoals de Pacifische Ring of Fire) en bij mid-oceanische ruggen.
- Gebergten rijzen op waar continenten botsen. De Alpen, Himalaya en Andes zijn allemaal van tektonische oorsprong.
- Continentale drift — alle continenten zaten 250 miljoen jaar geleden samen in één supercontinent: Pangea.