De temperatuur van magma ligt tussen ongeveer 700 en 1300 °C. Anders dan vaak gedacht is de aardmantel niet vloeibaar; magma ontstaat alleen plaatselijk. Bij mid-oceanische ruggen en hotspots zoals Hawaï stijgt heet mantelgesteente op, de druk neemt af en het gesteente smelt gedeeltelijk (decompressiesmelten). Bij subductiezones komt water uit de wegduikende plaat vrij, wat het smeltpunt van het mantelgesteente verlaagt.
Het silicagehalte (SiO2) bepaalt het karakter. Basaltisch magma (ongeveer 45–52% SiO2, circa 1100–1200 °C) is dun vloeibaar; gassen ontsnappen makkelijk, dus uitbarstingen zijn meestal rustig, zoals op IJsland. Rhyolitisch magma (meer dan 70% SiO2, 650–850 °C) is taai en houdt gas vast, wat tot explosieve uitbarstingen leidt.
Magma verzamelt zich in magmakamers enkele kilometers diep. Stolt het daar langzaam, dan groeien grote kristallen en ontstaat een dieptegesteente zoals graniet of gabbro. Bereikt het het oppervlak, dan heet het lava en stolt het snel tot bijvoorbeeld basalt. Dichtbij huis ligt de Duitse Eifel, waar de Laacher See ongeveer 13.000 jaar geleden explosief uitbarstte; as daarvan is in Nederland en België in de bodem teruggevonden.
In welke discipline?
Aardwetenschappen: geologie en plaattektoniek (vulkanologie).