Bij 25 °C is een oplossing met pH 7 neutraal, lager dan 7 zuur en hoger dan 7 basisch. De schaal loopt in de praktijk ongeveer van 0 tot 14, maar zeer geconcentreerde oplossingen kunnen daarbuiten vallen. Omdat de schaal logaritmisch is, betekent één pH-eenheid lager een tien keer zo hoge H₃O⁺-concentratie: een oplossing met pH 3 is tien keer zo zuur als een met pH 4. Voor basen gebruik je ook de pOH = −log [OH⁻]; bij 25 °C geldt pH + pOH = 14,00.
De Deense scheikundige Søren Sørensen introduceerde de pH in 1909 in het laboratorium van brouwerij Carlsberg, waar de zuurgraad van belang was bij het brouwen. Waar de ‘p’ precies voor staat is niet zeker; vaak wordt ‘potentie’ of ‘puissance’ genoemd. Je meet de pH met een pH-meter of schat hem met een indicator, zoals lakmoes, broomthymolblauw of universeel indicatorpapier.
Voorbeelden: maagzuur pH 1–2, citroensap ongeveer 2,4, cola ongeveer 2,5, zuiver water 7, bloed 7,35–7,45, zeewater ongeveer 8,1, bleekmiddel 12–13. Rekenvoorbeeld: 0,010 M zoutzuur (HCl) splitst volledig, dus [H₃O⁺] = 1,0 × 10⁻² mol/L en pH = 2,00. Omgekeerd: bij pH 3,0 is [H₃O⁺] = 10⁻³·⁰ = 1,0 × 10⁻³ mol/L. Let op de significantie: het aantal decimalen van de pH is gelijk aan het aantal significante cijfers van de concentratie.
In welke discipline?
Scheikunde (zuren en basen), biologie (enzymen, bloed) en aardwetenschappen (verzuring van oceanen en bodem).