Begrippenlijst · O

Oplossing

Een oplossing is een homogeen mengsel waarin een opgeloste stof, tot op het niveau van moleculen of ionen, gelijkmatig verdeeld is in een oplosmiddel.

Een oplossing is helder (al kan ze gekleurd zijn): je ziet geen losse deeltjes, ze bezinken niet en je kunt ze niet affiltreren. Daarmee verschilt ze van een suspensie (vaste deeltjes in een vloeistof, zoals modderwater) en een emulsie (druppeltjes, zoals melk). Het oplosmiddel is meestal water; in een reactievergelijking noteer je een opgeloste stof dan met (aq), van aqua. Als vuistregel geldt ‘soort lost soort op’: polaire stoffen en zouten lossen goed op in water, apolaire stoffen zoals olie in apolaire oplosmiddelen zoals wasbenzine.

Hoeveel stof er is opgelost, geef je aan met de concentratie. In de scheikunde gebruik je meestal de molariteit: c = n / V, in mol/L (ook geschreven als M). Er is een grens aan hoeveel er oplost: dan is de oplossing verzadigd. Bij 20 °C lost ongeveer 36 g keukenzout op in 100 g water, tegen zo’n 200 g suiker. Voor de meeste vaste stoffen stijgt de oplosbaarheid met de temperatuur; voor gassen zoals CO₂ daalt ze juist, daarom verliest warme frisdrank sneller prik.

Rekenvoorbeeld: je lost 5,84 g NaCl (molaire massa 58,44 g/mol) op tot 250 mL oplossing. Dat is 0,100 mol, dus c = 0,100 / 0,250 = 0,400 mol/L. In de oplossing zitten Na⁺- en Cl⁻-ionen, daarom geleidt zout water stroom. Zure en basische oplossingen onderscheid je met de pH.

In welke discipline?

Scheikunde (mengsels, zuren en basen, rekenen met mol) en biologie (osmose en diffusie in cellen).

Verwante termen

Lees meer