Een molecuul kan bestaan uit dezelfde soort atomen — zoals zuurstofgas O₂ of stikstofgas N₂ — of uit verschillende — zoals water H₂O, koolstofdioxide CO₂ en suiker C₁₂H₂₂O₁₁. De bindingen tussen de atomen zijn meestal covalent: ze delen elektronenparen.
Moleculen zijn de eenheden die in een chemische reactie herschikken. Bij een reactie blijven de atomen behouden, maar wisselen ze van partner. Een mol moleculen — bijvoorbeeld 18 gram water — bevat 6,022 × 10²³ deeltjes.
De grootste moleculen die we kennen zijn macromoleculen zoals DNA en eiwitten, die uit miljoenen atomen kunnen bestaan.
In welke discipline?
Scheikunde, biochemie en natuurkunde.