Hormonen worden gemaakt in hormoonklieren (endocriene klieren) zoals de hypofyse, schildklier, bijnieren, alvleesklier en geslachtsklieren. Ze verspreiden zich via de bloedsomloop door het hele lichaam, maar reageren alleen bij cellen die een passende receptor hebben: het sleutel-slotprincipe. Hormonen die uit eiwitten of peptiden bestaan (zoals insuline) binden aan receptoren op het celmembraan; steroïdhormonen (zoals testosteron en cortisol) zijn afgeleid van cholesterol, lossen op in vet en gaan de cel in om daar genen aan of uit te zetten.
Vergeleken met het zenuwstelsel werkt het hormoonstelsel trager (seconden tot dagen) maar langduriger en breder. Veel hormoonspiegels worden geregeld door negatieve terugkoppeling: een hoge concentratie remt de eigen aanmaak. Voorbeeld: na een maaltijd stijgt de bloedglucose, waarna de alvleesklier insuline afgeeft; lever- en spiercellen nemen dan glucose op en de bloedsuiker daalt. Bij een lage bloedsuiker geeft dezelfde klier juist glucagon af.
Andere bekende voorbeelden: adrenaline (bijnier) verhoogt bij schrik binnen seconden hartslag en ademhaling; thyroxine (schildklier) regelt de stofwisselingssnelheid; groeihormoon (hypofyse) stuurt de groei. Ook planten hebben hormonen, zoals auxine, dat bepaalt welke kant een stengel naar het licht toe groeit.
In welke discipline?
Biologie (fysiologie, regeling) en scheikunde (biochemie van eiwitten en steroïden).