Glucose is een monosacharide met zes koolstofatomen (een hexose). In water komt het vrijwel volledig voor als ringvormig molecuul van vijf koolstofatomen en één zuurstofatoom; de rechte keten met een aldehydegroep is maar een klein deel van het evenwicht. Door de vele OH-groepen lost glucose goed op in water. De molaire massa is 180,2 g/mol.
Planten maken glucose bij fotosynthese uit CO₂ en water met energie uit licht. Omgekeerd verbranden cellen glucose bij cellulaire ademhaling: C₆H₁₂O₆ + 6 O₂ → 6 CO₂ + 6 H₂O. Daarbij komt ongeveer 2,8 MJ per mol vrij, waarvan een deel wordt vastgelegd in circa 30 moleculen ATP. Zonder zuurstof kan alleen de glycolyse plaatsvinden, met melkzuur (in spieren) of ethanol en CO₂ (in gist) als eindproduct.
Glucose wordt opgeslagen door veel eenheden aan elkaar te koppelen: planten maken zetmeel en cellulose, dieren en schimmels glycogeen (in lever en spieren). Bij de mens houdt het hormoon insuline de bloedglucose rond 4–7 mmol/L; bij diabetes lukt dat niet goed meer. Voorbeeld: gewone tafelsuiker (sacharose) is een disacharide van glucose en fructose.
In welke discipline?
Biologie (stofwisseling, fotosynthese) en scheikunde (koolhydraten, organische chemie).