Indeling op grootte
| Type | Aantal suikereenheden | Voorbeelden |
|---|---|---|
| Monosacharide | 1 | glucose, fructose, galactose |
| Disacharide | 2 | sucrose (rietsuiker), lactose (melksuiker), maltose |
| Polysacharide | honderden tot duizenden | zetmeel, glycogeen, cellulose, chitine |
Monosachariden
Glucose (C₆H₁₂O₆) is de bekendste enkelvoudige suiker en het centrale molecuul in het energiemetabolisme. Fructose komt voor in fruit en honing; galactose vooral in melk. Alle drie hebben dezelfde brutoformule maar verschillen in ruimtelijke ordening — het zijn isomeren.
Disachariden
Twee monosachariden binden via een glycosidische binding onder afsplitsing van water (condensatie):
- Sucrose = glucose + fructose (gewone keukensuiker).
- Lactose = glucose + galactose (in melk; sommige volwassenen kunnen dit niet meer verteren).
- Maltose = glucose + glucose (in bier en gerstemout).
Polysachariden — de grote spelers
- Zetmeel — energiereserve in planten (aardappel, graan, rijst). Lange glucoseketens, vertakt of recht.
- Glycogeen — energiereserve in dieren (lever en spieren). Sterk vertakt, snel beschikbaar.
- Cellulose — structuurmateriaal in plantencelwanden. Mensen kunnen het niet verteren ("vezels").
- Chitine — uitwendig skelet van insecten en schaaldieren.
Afbraak in het lichaam
Bij de spijsvertering knipt het enzym amylase zetmeel in kortere ketens en uiteindelijk in glucose. In de cellen levert cellulaire ademhaling uit één glucosemolecuul ongeveer 30 moleculen ATP — de "munteenheid" van energie.