Begrippenlijst · B

Brutoformule

De brutoformule (molecuulformule) geeft aan welke atoomsoorten en hoeveel van elk in één molecuul zitten, zonder iets te zeggen over hoe die atomen aan elkaar vastzitten.

Voorbeelden: water H₂O, methaan CH₄, glucose C₆H₁₂O₆, ethanol C₂H₆O. In organische verbindingen schrijf je volgens afspraak eerst C, dan H en daarna de overige elementen op alfabetische volgorde (Hill-notatie). Voor alkanen geldt de algemene brutoformule CnH2n+2, voor alkenen met één dubbele binding CnH2n.

Omdat de brutoformule niets zegt over de structuur, kunnen verschillende stoffen dezelfde brutoformule hebben. Dat heten isomeren. Ethanol (CH₃–CH₂–OH, een alcohol) en dimethylether (CH₃–O–CH₃) zijn allebei C₂H₆O, maar ethanol kookt bij 78 °C en dimethylether al bij −24 °C. Butaan en methylpropaan zijn allebei C₄H₁₀. Voor de rangschikking gebruik je daarom een structuurformule. De verhoudingsformule (empirische formule) geeft alleen de kleinste gehele verhouding: voor glucose is dat CH₂O.

Examenopgave: een koolwaterstof bestaat voor 85,7 massaprocent uit C en 14,3 % uit H; de molaire massa is 56 g/mol. Stap 1: in 100 g zit 85,7 / 12,01 = 7,14 mol C en 14,3 / 1,008 = 14,2 mol H. Stap 2: verhouding C : H = 1 : 2, dus verhoudingsformule CH₂ (14 g/mol). Stap 3: 56 / 14 = 4, dus de brutoformule is C₄H₈ (bijvoorbeeld buteen).

In welke discipline?

Scheikunde (organische chemie, reactievergelijkingen en stoichiometrie).

Verwante termen

Lees meer