De route van de lucht
- Neus en mond — lucht wordt verwarmd, bevochtigd en gefilterd door neusharen en slijm.
- Keelholte (farynx) — kruispunt van adem- en spijsverteringskanaal.
- Strottenhoofd (larynx) — bevat de stembanden; de epiglottis sluit de luchtpijp af tijdens slikken.
- Luchtpijp (trachea) — open gehouden door kraakbeenringen.
- Bronchiën — twee hoofdtakken naar de longen.
- Bronchiolen — steeds fijnere vertakkingen tot ongeveer 0,5 mm dik.
- Longblaasjes (alveoli) — ongeveer 300 miljoen kleine bolletjes; samen 70-100 m² oppervlak.
Gasuitwisseling
De wand van een alveolus is ongeveer 0,5 µm dik — dunner dan een vel papier. Daar omheen ligt een dicht netwerk van haarvaten. Zuurstof diffundeert van de longblaasjes (hoge O₂-concentratie) naar het bloed (lage); koolstofdioxide gaat de andere kant op. De drijvende kracht is altijd het concentratieverschil — geen actief transport nodig.
De mechanica van ademen
De longen hebben zelf geen spieren; ze worden passief op- en leeggepompt door drukverschillen die het middenrif en de tussenribspieren creëren:
- Inademing — middenrif trekt naar beneden, ribben omhoog → borstkas wordt groter → druk in de longen daalt → lucht stroomt naar binnen.
- Uitademing — middenrif ontspant, ribben omlaag → borstkas kleiner → druk stijgt → lucht stroomt naar buiten.
Aansturing
Het ademcentrum in de hersenstam meet vooral het CO₂-gehalte van het bloed (niet zozeer de O₂). Stijgt CO₂ — bijvoorbeeld tijdens inspanning — dan stuurt het centrum signalen om sneller en dieper te ademen. Daarom raak je buiten adem bij sporten: niet door zuurstoftekort, maar door CO₂-overschot.