Het menselijk lichaam — anatomie en stelsels
Het menselijk lichaam bestaat uit ongeveer 37 biljoen cellen, georganiseerd in weefsels, organen en orgaanstelsels. Anatomie beschrijft hoe die delen zijn opgebouwd; fysiologie hoe ze functioneren. Samen verklaren ze hoe wij ademen, denken, bewegen en eten.
De anatomie kent verschillende organisatieniveaus. Cellen zijn de bouwstenen — zie celbiologie. Groepen vergelijkbare cellen vormen weefsels (spierweefsel, zenuwweefsel, epitheel, bindweefsel). Weefsels vormen organen (hart, lever, hersenen) die elk specifieke functies hebben. Tot slot werken organen samen in orgaanstelsels.
De elf belangrijkste stelsels
- Bloedsomloop — hart, bloedvaten; vervoert zuurstof, voedingsstoffen en afvalstoffen.
- Ademhalingsstelsel — neus, luchtpijp, longen; gasuitwisseling.
- Spijsverteringsstelsel — mond, maag, darmen; voedselafbraak en opname.
- Uitscheidingsstelsel — nieren, blaas; verwijdert afvalstoffen.
- Zenuwstelsel — hersenen, ruggenmerg, zenuwen; coördinatie en signaalgeleiding.
- Hormoonstelsel — klieren zoals schildklier en bijnieren; chemische signalen.
- Skelet — 206 botten; steun en bescherming.
- Spierstelsel — ruim 600 spieren; beweging en warmteproductie.
- Immuunstelsel — witte bloedcellen, lymfeklieren; verdediging tegen ziekteverwekkers.
- Voortplantingsstelsel — vorming van geslachtscellen via meiose.
- Huid — grootste orgaan; barrière en thermoregulatie.
Toepassingen
Kennis van anatomie staat aan de basis van geneeskunde, fysiotherapie, tandheelkunde en sportwetenschap. De beeldvormingstechnieken — röntgen, echo, ct en mri — maken anatomie zichtbaar zonder operatie.