Een neuron bestaat uit drie delen. Dendrieten zijn korte, vertakte uitlopers die signalen ontvangen. Het cellichaam bevat de kern en telt de binnenkomende signalen op. Het axon (de zenuwvezel) is één lange uitloper, soms meer dan een meter, die het signaal wegvoert naar de uiteinden. Veel axonen zijn omgeven door een isolerende myelineschede met onderbrekingen (knopen van Ranvier), waardoor het signaal ‘springt’ en tot ruim 100 m/s snel gaat; zonder myeline is dat 0,5–2 m/s.
In rust is de binnenkant van het neuron ongeveer −70 mV negatief ten opzichte van buiten (de rustpotentiaal), in stand gehouden door de natrium-kaliumpomp die ATP verbruikt. Wordt een drempelwaarde bereikt, dan openen natriumkanalen, stromen Na⁺-ionen naar binnen en draait de spanning kort om naar ongeveer +30 mV: de actiepotentiaal. Die golf plant zich voort langs het axon volgens het alles-of-nietsprincipe; een sterkere prikkel geeft niet een grotere, maar vaker een impuls. Aan het uiteinde wordt het signaal via een synaps chemisch doorgegeven.
Er zijn drie hoofdtypen: sensorische neuronen voeren informatie van zintuigen naar het centrale zenuwstelsel, schakelneuronen (interneuronen) verwerken die in hersenen en ruggenmerg, en motorische neuronen sturen spieren en klieren aan. Een reflex, zoals je hand terugtrekken van een hete plaat, loopt via deze drie typen in het ruggenmerg. De menselijke hersenen bevatten zo’n 86 miljard neuronen.
In welke discipline?
Biologie (anatomie, fysiologie) en natuurkunde (elektrische spanning en stroom).