Pijlerartikel · Evolutie

Evolutie: hoe soorten veranderen in de tijd

Evolutie is de verandering in de erfelijke eigenschappen van populaties van organismen over opeenvolgende generaties. Ze wordt veroorzaakt door mutatie, natuurlijke selectie, genetische drift en genenstroom, en verklaart hoe alle soorten op aarde uit gemeenschappelijke voorouders zijn ontstaan. Charles Darwin beschreef het mechanisme van natuurlijke selectie in 1859.

Evolutie is de grote verbindende theorie van de biologie. De bioloog Theodosius Dobzhansky schreef in 1973: ‘Niets in de biologie heeft betekenis, behalve in het licht van de evolutie.’ Ze verklaart waarom alle levende wezens dezelfde genetische code en dezelfde bouwstenen gebruiken, waarom een walvis longen heeft en geen kieuwen, en waarom bacteriën resistent worden tegen antibiotica.

Belangrijk is wat er precies evolueert: niet een individu, maar een populatie. Een konijn verandert tijdens zijn leven niet genetisch; wel kan het aandeel van een bepaald allel in de genenpool van alle konijnen samen in de loop van generaties toenemen.

Artikelen over evolutie

  • De evolutietheorie van Darwin — het volledige verhaal: bewijslijnen, de moderne synthese en gevolgen voor onze kijk op het leven.
  • Natuurlijke selectie — variatie, erfelijkheid, overproductie en selectie, met voorbeelden.
  • Mutaties — veranderingen in het DNA als bron van nieuwe variatie.
  • Soortvorming — hoe uit één soort twee nieuwe soorten ontstaan.

De vier mechanismen van evolutie

Wat verandert de allelfrequenties in een populatie?
MechanismeWat gebeurt er?Voorbeeld
Mutatietoevallige verandering in het DNA; levert nieuwe alleleneen mutatie waardoor volwassenen lactose (melksuiker) kunnen blijven verteren
Natuurlijke selectieindividuen met gunstige erfelijke eigenschappen krijgen gemiddeld meer nakomelingenbacteriën die een antibioticum overleven en zich vermenigvuldigen
Genetische drifttoevallige verschuiving in allelfrequenties, vooral sterk in kleine populatieseen allel dat door toeval verdwijnt uit een kleine eilandpopulatie
Genenstroom (migratie)allelen komen een populatie binnen of gaan eruit door migratiepollen van een gewas dat een wilde verwant bestuift

Alleen natuurlijke selectie leidt systematisch tot aanpassing (adaptatie) aan de omgeving. Mutatie levert de grondstof, maar is blind: ze gebeurt zonder ‘doel’. Genetische drift is puur toeval. Een bijzonder geval van drift is het stichterseffect: als een kleine groep een nieuw gebied koloniseert, neemt ze maar een deel van de oorspronkelijke variatie mee. Daarom komen sommige erfelijke ziekten veel vaker voor in kleine, geïsoleerde gemeenschappen. Een vorm van selectie die opvallende kenmerken verklaart, is seksuele selectie: de staart van een pauw kost energie en trekt roofdieren, maar levert meer partners op.

Darwin en de geschiedenis van het idee

Het idee dat soorten veranderen is ouder dan Darwin. Jean-Baptiste de Lamarck dacht rond 1809 dat organismen eigenschappen die ze tijdens hun leven verwerven aan hun jongen doorgeven: een giraf die zich uitrekt, krijgt jongen met een langere nek. Dat blijkt niet te kloppen. Charles Darwin zag tijdens zijn reis met de Beagle (1831–1836) onder meer de vinken en schildpadden van de Galápagoseilanden. In 1858 presenteerde hij zijn theorie samen met Alfred Russel Wallace, die onafhankelijk op hetzelfde idee was gekomen, en in 1859 verscheen On the Origin of Species.

Darwin wist nog niet hoe erfelijkheid werkte. Dat ontbrekende stuk kwam van Gregor Mendel en de latere genetica. In de jaren dertig en veertig van de twintigste eeuw werden Darwins selectie en Mendels erfelijkheid samengevoegd tot de moderne synthese, de basis van de huidige evolutiebiologie.

Bewijzen voor evolutie

  • Fossielen: in oudere gesteentelagen liggen eenvoudigere organismen dan in jongere. Overgangsfossielen zoals Tiktaalik (tussen vis en vierpotige) en Archaeopteryx (met veren én tanden) tonen tussenvormen.
  • Homologe organen: de arm van een mens, de vleugel van een vleermuis en de vin van een walvis hebben dezelfde botten in dezelfde volgorde, aangepast aan een andere functie. Dat wijst op een gemeenschappelijke voorouder.
  • Rudimentaire organen: resten zonder (of met een andere) functie, zoals het staartbeen van de mens en de restjes van een bekken bij walvissen.
  • DNA: hoe nauwer verwant twee soorten zijn, hoe meer hun DNA overeenkomt. Mens en chimpansee verschillen in ongeveer 1,2 % van de baseparen die je direct kunt vergelijken. Stambomen op basis van DNA komen goed overeen met die op basis van fossielen en anatomie.
  • Biogeografie: eilanden hebben vaak eigen soorten die het meest lijken op soorten van het dichtstbijzijnde vasteland, zoals de Galápagosvinken op die van Zuid-Amerika.
  • Directe waarneming: evolutie is ook nu te zien (zie hieronder).

Evolutie die je vandaag kunt zien

Bij soorten met korte generaties gaat evolutie snel genoeg om te meten. Antibioticaresistentie is het bekendste voorbeeld: een antibioticum doodt de gevoelige bacteriën, maar een enkele bacterie met een resistentiemutatie overleeft en vermenigvuldigt zich. Omdat een bacterie zich onder gunstige omstandigheden elke 20 minuten kan delen, kan een resistente populatie binnen dagen ontstaan. Daarom moet je een antibioticakuur altijd afmaken en worden antibiotica in de veehouderij beperkt.

Andere voorbeelden zijn de berkenspanner, een nachtvlinder waarvan de donkere vorm in Engeland sterk toenam toen bomen zwart werden van roet en daarna weer afnam toen de lucht schoner werd; de snavelgrootte van Galápagosvinken, die na een droog jaar meetbaar groter werd omdat alleen vogels die harde zaden konden kraken overleefden; en resistentie van insecten tegen bestrijdingsmiddelen.

Tijdlijn van het leven op aarde

Mijlpalen in de evolutie (geschat, in jaren geleden)
WanneerGebeurtenis
4,54 miljardvorming van de aarde
≥ 3,5 miljardoudste duidelijke sporen van leven (bacteriën, stromatolieten)
~2,4 miljardzuurstof hoopt zich op in de atmosfeer door fotosynthese van cyanobacteriën
~2 miljardeerste eukaryote cellen, met celkern en mitochondriën
~540 miljoenCambrische explosie: snelle opkomst van de meeste diergroepen
~470 miljoeneerste landplanten
~230 miljoeneerste dinosauriërs
66 miljoeninslag van een planetoïde; uitsterven van de niet-vliegende dinosauriërs
~300 000oudste fossielen van Homo sapiens (Marokko)

Stel je de geschiedenis van de aarde voor als één jaar dat begint op 1 januari. Dan verschijnt het eerste leven rond eind maart, de Cambrische explosie half november, sterven de dinosauriërs uit op 26 december en verschijnt de moderne mens op 31 december om ongeveer 23.25 uur.

Micro-evolutie, macro-evolutie en soortvorming

Micro-evolutie is verandering binnen een soort: de allelfrequenties verschuiven, zoals bij resistentie. Macro-evolutie is evolutie boven het soortniveau: het ontstaan van nieuwe soorten en grote groepen over miljoenen jaren. Er is geen apart mechanisme voor; macro-evolutie is micro-evolutie over heel lange tijd, plus soortvorming. Dat gebeurt meestal als populaties geografisch gescheiden raken, bijvoorbeeld door een gebergte of een zee, en zo lang apart evolueren dat ze zich niet meer met elkaar kunnen voortplanten.

Veelgestelde vragen

Wat is evolutie?

Evolutie is de verandering in de erfelijke eigenschappen van een populatie over opeenvolgende generaties. Ze wordt veroorzaakt door mutatie, natuurlijke selectie, genetische drift en genenstroom, en verklaart hoe alle soorten uit gemeenschappelijke voorouders zijn ontstaan.

Wat zijn de mechanismen van evolutie?

De vier mechanismen zijn mutatie (nieuwe erfelijke variatie), natuurlijke selectie (gunstige eigenschappen leveren meer nakomelingen op), genetische drift (toevallige verschuivingen, vooral in kleine populaties) en genenstroom (uitwisseling van allelen door migratie).

Wie bedacht de evolutietheorie?

Charles Darwin, die in 1859 On the Origin of Species publiceerde. Alfred Russel Wallace kwam onafhankelijk op hetzelfde idee; hun theorie werd in 1858 samen gepresenteerd. Later werd ze met de genetica van Mendel gecombineerd tot de moderne synthese.

Wat zijn bewijzen voor evolutie?

Fossielen met overgangsvormen, homologe organen zoals de armbotten van mens, vleermuis en walvis, rudimentaire organen, overeenkomsten in DNA tussen verwante soorten, de verspreiding van soorten over eilanden en continenten, en directe waarnemingen zoals antibioticaresistentie.

Stamt de mens af van de aap?

Nee, niet van een nu levende aap. Mens en chimpansee hebben een gemeenschappelijke voorouder die zo’n 6 à 7 miljoen jaar geleden leefde. Biologisch gezien hoort de mens wel bij de mensapen.

Kun je evolutie vandaag nog zien?

Ja. Bacteriën worden binnen korte tijd resistent tegen antibiotica, insecten tegen bestrijdingsmiddelen, en bij Galápagosvinken is gemeten dat de snavelgrootte na droge jaren verandert.

Verder lezen