De omvang van een populatie verandert door vier processen: geboorte en immigratie laten haar groeien, sterfte en emigratie laten haar krimpen. Zolang voedsel en ruimte onbeperkt zijn, groeit een populatie exponentieel (een J-curve), zoals bacteriën in een verse voedingsbodem die zich elke 20 minuten kunnen verdubbelen. In de natuur remmen voedseltekort, ziekte, predatie en ruimtegebrek de groei, waardoor de populatie afvlakt rond de draagkracht van het gebied: de logistische groei of S-curve.
Belangrijke kenmerken van een populatie zijn de grootte, de dichtheid (individuen per oppervlakte of volume), de leeftijdsopbouw en de verspreiding. Ecologen schatten de grootte vaak met de vang-terugvangmethode: vang en merk bijvoorbeeld 50 dieren, laat ze vrij en vang later opnieuw 40, waarvan 10 gemerkt. De schatting is dan 50 × 40 / 10 = 200 dieren.
Voor de evolutie is de populatie de eenheid die verandert: individuen evolueren niet, maar de verhouding tussen allelen in de genenpool van een populatie verschuift door natuurlijke selectie, genetische drift en migratie. Wordt een populatie opgesplitst, bijvoorbeeld door een rivier of zeestraat, dan kunnen de delen uit elkaar groeien tot nieuwe soorten. Alle populaties in een gebied samen vormen een levensgemeenschap, onderdeel van een ecosysteem.
In welke discipline?
Biologie (ecologie en evolutie).