Dit is het biologisch soortbegrip van Ernst Mayr (1942). De kern is reproductieve isolatie: individuen van verschillende soorten planten zich niet of niet succesvol met elkaar voort, waardoor hun genenpools gescheiden blijven. Die isolatie kan vóór de bevruchting liggen (ander paringsgedrag, andere bloeitijd, niet passende geslachtsorganen) of erna (de hybride sterft of is onvruchtbaar).
Klassiek voorbeeld: paard en ezel kunnen samen een muilezel of muildier krijgen, maar die dieren zijn vrijwel altijd onvruchtbaar, omdat paarden 64 en ezels 62 chromosomen hebben en de meiose bij de hybride mislukt. Paard en ezel zijn dus aparte soorten. Omgekeerd zijn een chihuahua en een Duitse herder, hoe verschillend ook, dezelfde soort.
Het biologisch soortbegrip werkt niet overal. Bij bacteriën en andere organismen die zich ongeslachtelijk voortplanten, en bij fossielen, gebruiken biologen kenmerken van bouw (morfologisch soortbegrip) of DNA-verschillen (fylogenetisch soortbegrip). Elke soort krijgt een tweedelige wetenschappelijke naam volgens Linnaeus, zoals Homo sapiens: geslachtsnaam plus soortaanduiding. Er zijn ongeveer 2,1 miljoen soorten beschreven; schattingen van het werkelijke aantal lopen uiteen van 8 tot meer dan 10 miljoen. Hoe nieuwe soorten ontstaan, heet soortvorming.
In welke discipline?
Biologie (evolutie, ecologie, taxonomie).