Een diploïd organisme draagt van elk gen twee allelen. Tel je die op over de hele populatie, dan krijg je de genenpool. Voor elk gen kun je de allelfrequentie berekenen: het aandeel dat een bepaald allel uitmaakt van het totaal. Voorbeeld: in een populatie van 100 planten (200 allelen) zijn er 120 allelen voor rode en 80 voor witte bloemen; de frequenties zijn dan 0,6 en 0,4.
Evolutie is, in genetische termen, een verandering van allelfrequenties in de genenpool. Dat gebeurt door natuurlijke selectie (gunstige allelen worden vaker doorgegeven), mutaties (nieuwe allelen), genenstroom (migratie tussen populaties) en genetische drift (toevallige verschuivingen, vooral sterk in kleine populaties). Zonder deze krachten blijven de frequenties gelijk; dat is het Hardy-Weinbergevenwicht, met p² + 2pq + q² = 1 voor de genotypefrequenties.
Een grote, gevarieerde genenpool maakt een populatie beter bestand tegen ziekten en veranderingen in de omgeving. Na een flessenhals, wanneer de populatie tijdelijk heel klein wordt, is veel variatie verdwenen: jachtluipaarden zijn daardoor genetisch opvallend eenvormig. Bij soortvorming raken de genenpools van twee populaties gescheiden, zodat ze elk hun eigen weg gaan. Fokprogramma’s voor bedreigde dieren proberen daarom zo veel mogelijk genetische variatie te behouden.
In welke discipline?
Biologie (populatiegenetica, evolutie).