Hoe fossielen ontstaan
- Een organisme sterft en wordt snel begraven (modder, vulkanische as, zand).
- Zachte weefsels rotten weg; harde delen (botten, schelpen, hout) blijven.
- Mineralen in grondwater dringen door en vervangen geleidelijk het oorspronkelijke materiaal — versteening.
- Sediment boven de fossielen wordt door druk een sedimentgesteente.
- Miljoenen jaren later wordt het gesteente blootgesteld door erosie of opheffing.
Soorten fossielen
- Lichaamsfossielen — botten, tanden, schelpen, hout.
- Sporenfossielen — pootafdrukken, holen, uitwerpselen (coproliet).
- Inclusies — insecten gevangen in barnsteen (versteend hars).
- Microfossielen — pollen, eencelligen, alleen onder microscoop zichtbaar.
Datering
Twee manieren om de leeftijd van een fossiel te bepalen:
- Relatief — onderste lagen zijn ouder (wet van superpositie). Een fossiel in laag X is even oud als alle andere fossielen in die laag.
- Absoluut — radiometrische methoden meten het verval van radioactieve isotopen. Koolstof-14 werkt tot 50.000 jaar; kalium-argon tot miljarden jaren.
Wat fossielen ons leren
- Geschiedenis van soorten — wanneer ze verschenen, wanneer ze uitstierven.
- Evolutionaire overgangen (Archaeopteryx tussen dinosauriër en vogel; Tiktaalik tussen vis en landdier).
- Vroeg klimaat — koraalfossielen tonen waar ondiepe zeeën waren.
- Massa-uitstervingen — zoals het einde van de dinosauriërs 66 miljoen jaar geleden.