| Symbool | Ra |
|---|---|
| Atoomnummer | 88 |
| Atoommassa | [226] (massagetal langstlevende isotoop) |
| Categorie | Aardalkalimetaal |
| Groep | 2 |
| Periode | 7 |
| Blok | s-blok |
| Fase bij 20 °C | vast |
| Smeltpunt | 696 °C |
| Kookpunt | 1737 °C |
| Dichtheid | 5,5 g/cm³ |
| Elektronenconfiguratie | [Rn] 7s2 |
| Elektronen per schil | 2, 8, 18, 32, 18, 8, 2 |
| Elektronegativiteit (Pauling) | 0,9 |
| Oxidatiegetallen | +2 |
| Ontdekt | 1898 door Marie Curie en Pierre Curie |
| Engelse naam | Radium |
Eigenschappen van radium
Radium is het zwaarste aardalkalimetaal en lijkt chemisch sterk op barium. Het reageert snel met lucht, waarbij het eerst zwart wordt door de vorming van radiumnitride, en met water onder vorming van radiumhydroxide en waterstofgas. In verbindingen komt het uitsluitend voor met oxidatiegetal +2. Radiumzouten kleuren een vlam karmijnrood. Alle isotopen zijn radioactief. De langstlevende, radium-226, heeft een halfwaardetijd van 1600 jaar en hoort bij de vervalreeks van uranium-238. Het vervalt via alfastraling tot het edelgas radon. Door de intense straling licht radium, net als veel radiumverbindingen, in het donker blauwachtig op, en een monster is altijd iets warmer dan zijn omgeving. Omdat het lichaam radium behandelt als calcium, wordt het in de botten ingebouwd, waar het jarenlang blijft stralen. De oude eenheid van radioactiviteit, de curie, was gebaseerd op de activiteit van één gram radium-226.
Naam. De naam komt van het Latijnse radius, 'straal', vanwege de sterke straling die het element uitzendt.
Atoombouw en plaats in het periodiek systeem
Radium staat in periode 7 en groep 2 (aardalkalimetalen) van het periodiek systeem, in het s-blok.
Een neutraal atoom heeft 88 protonen in de kern en 88 elektronen, verdeeld over 7 schillen: 2, 8, 18, 32, 18, 8, 2. Het periodenummer (7) is gelijk aan het aantal schillen.
Omdat het in groep 2 staat, heeft Radium 2 valentie-elektronen in de buitenste schil; die bepalen hoe het reageert en bindingen vormt (zie chemische bindingen).
Buren in het systeem: links/ervoor: Francium (Fr, 87); rechts/erna: Actinium (Ac, 89); erboven in dezelfde groep: Barium (Ba).
Andere elementen in groep 2: Beryllium, Magnesium, Calcium, Strontium, Barium.
Voorkomen
Radium zit in uraniumertsen, in een verhouding van ongeveer een derde gram per ton uranium. Marie Curie verwerkte enkele tonnen pekblende om in 1902 een tiende gram radiumchloride te isoleren. Het metaal werd in 1910 voor het eerst door Marie Curie en André-Louis Debierne gemaakt via elektrolyse. Radium-223 voor medisch gebruik wordt tegenwoordig gemaakt uit actinium-227. Kleine hoeveelheden radium komen ook voor in grondwater, bodem en sommige minerale bronnen. In bijvoorbeeld de Tsjechische mijnstad Jáchymov, waar het uranium voor Curies onderzoek vandaan kwam, bevat het bronwater relatief veel radium en radon.
Toepassingen
- Radium-223 (handelsnaam Xofigo) wordt bij uitgezaaide prostaatkanker ingespoten; het nestelt zich als calcium in het bot en bestraalt de uitzaaiingen.
- Vroeger werd radium gemengd met zinksulfide in lichtgevende verf voor wijzerplaten, schakelaars en vliegtuiginstrumenten.
- Radium-226 werd lange tijd gebruikt in de radiotherapie en als neutronenbron met beryllium.
- Radium dient historisch als referentiestof voor radioactiviteitsmetingen.
Veelgestelde vragen
Waarom geeft radium licht?
Radium zendt zelf voortdurend alfa-, bèta- en gammastraling uit. Die straling slaat elektronen in de lucht en in het materiaal aan, die bij het terugvallen zwak blauw licht uitzenden. In lichtgevende verf werd radium gemengd met zinksulfide, dat onder invloed van de straling helder groen opgloeit.
Wie ontdekte radium?
Marie en Pierre Curie ontdekten radium in december 1898, samen met hun assistent Gustave Bémont. Marie Curie kreeg in 1911 de Nobelprijs voor Scheikunde voor de ontdekking van radium en polonium. Ze is de enige persoon die Nobelprijzen in twee verschillende natuurwetenschappen won.