Artikel · Kwantumfysica

Radioactief verval en halveringstijd

Bij radioactief verval zendt een instabiele atoomkern spontaan een alfadeeltje, bètadeeltje of gammafoton uit, en de halveringstijd is de tijd waarin de helft van de kernen vervalt. Na t jaar is er nog N = N₀ · (½)t/t½ over. Welke kern wanneer vervalt is puur toeval, maar voor miljarden kernen samen is de afname exact voorspelbaar.

Wat radioactiviteit is en wie het ontdekte, staat kort in de begrippen radioactiviteit en halfwaardetijd (in de natuurkundeles meestal halveringstijd genoemd). Hier gaat het om het rekenwerk: hoe je een vervalvergelijking opstelt, hoe je met de halveringstijd rekent, en hoe je activiteit, dracht en stralingsdosis uit elkaar houdt.

Soorten verval: α, β⁻, β⁺ en γ

Een kern is instabiel als de verhouding tussen protonen en neutronen niet klopt, of als hij simpelweg te zwaar is. De kern ‘repareert’ dat door een deeltje uit te zenden. Welk soort verval optreedt, hangt af van wat er mis is:

De vier soorten radioactieve straling
SoortWat komt eruitWat verandert in de kernTypisch voor
α (alfa)heliumkern ⁴₂He (2 p + 2 n)A − 4, Z − 2zware kernen (U, Ra, Rn, Po, Am)
β⁻ (bèta-min)elektron ⁰₋₁e + antineutrinoeen neutron wordt een proton: A gelijk, Z + 1kernen met te veel neutronen (C-14, I-131, Cs-137)
β⁺ (bèta-plus)positron ⁰₊₁e + neutrinoeen proton wordt een neutron: A gelijk, Z − 1kernen met te weinig neutronen (F-18, C-11)
γ (gamma)foton met hoge energieA en Z gelijk; de kern valt terug naar een lagere energietoestandvaak direct na α- of β-verval (Co-60, Tc-99m)

Het elektron bij β⁻-verval komt dus uit de kern, niet uit de elektronenwolk: in de kern verandert een neutron in een proton plus een elektron (n → p + e⁻ + antineutrino). Het nieuwe proton blijft achter, waardoor het atoomnummer met één stijgt en er een ander element ontstaat. Bij γ-verval verandert het element niet; alleen overtollige energie verdwijnt als foton, net zoals een elektron in het atoommodel van Bohr een foton uitzendt als het naar een lagere schil valt — alleen is de energie een miljoen keer groter (MeV in plaats van eV).

Vervalvergelijkingen opstellen

Een vervalvergelijking noteer je met massagetal A linksboven en atoomnummer Z linksonder. Er gelden twee behoudswetten: de som van de massagetallen en de som van de atoomnummers (ladingen) is links en rechts gelijk. Het atoomnummer zoek je op in het periodiek systeem.

²³⁸₉₂U → ²³⁴₉₀Th + ⁴₂He   (α)
¹⁴₆C → ¹⁴₇N + ⁰₋₁e   (β⁻)
¹⁸₉F → ¹⁸₈O + ⁰₊₁e   (β⁺)
⁹⁹ᵐ₄₃Tc → ⁹⁹₄₃Tc + γ   (γ)
A
massagetal = aantal protonen + neutronen (boven)
Z
atoomnummer = aantal protonen = lading van de kern (onder)
m
‘metastabiel’: een aangeslagen kern die later een γ-foton uitzendt

Controle bij uranium-238: massa 238 = 234 + 4 ✓; lading 92 = 90 + 2 ✓. Element 90 is thorium. Bij koolstof-14: 14 = 14 + 0 ✓; 6 = 7 + (−1) ✓. Element 7 is stikstof. Het antineutrino laat je op school meestal weg, omdat het geen massa- of ladinggetal heeft dat meetelt.

Voorbeeld — de uraniumreeks. Th-234 is zelf ook instabiel. Via een keten van veertien vervalstappen eindigt U-238 uiteindelijk als stabiel lood-206. Hoeveel α- en β-stappen zijn dat? Het massagetal daalt van 238 naar 206, dus 32; alleen α verandert A, dus 32 / 4 = 8 α-vervallen. Die 8 α’s verlagen Z met 16, van 92 naar 76. Lood heeft Z = 82, dus er moeten ook 6 β⁻-vervallen zijn (elk Z + 1). Halverwege die reeks zit radon-222, een gas dat uit de bodem in huizen kan sijpelen.

De halveringstijd en de vervalformule

Elke kern heeft per seconde een vaste kans om te vervallen, onafhankelijk van hoe oud hij al is, van de temperatuur of van de chemische verbinding waarin hij zit. Daaruit volgt een exponentiële afname: na elke halveringstijd t½ is de helft van wat er wás over.

N(t) = N₀ · (½)t / t½
N(t)
aantal (of massa, of activiteit) nog niet vervallen kernen op tijdstip t
N₀
aantal op t = 0
t½
halveringstijd, in dezelfde eenheid als t
Vervalkromme: het aantal kernen daalt van 100 procent naar 50, 25, 12,5 en 6,25 procent na één, twee, drie en vier halveringstijden 100 % 50 % 25 % 12,5 % 1 t½ 2 t½ 3 t½ 4 t½ tijd
Na elke halveringstijd halveert het aantal kernen. De kromme nadert nul, maar bereikt die nooit precies.

Voorbeeld 1 — jodium-131 in het ziekenhuis. Een patiënt met een te snel werkende schildklier krijgt 400 MBq I-131 toegediend (t½ = 8,0 dagen). Hoeveel is er na 24 dagen nog over, alleen door verval? 24 / 8,0 = 3 halveringstijden, dus (½)³ = 1/8 deel: 400 / 8 = 50 MBq. In werkelijkheid is het nog minder, omdat het lichaam ook jodium uitscheidt.

Voorbeeld 2 — een ‘krom’ aantal halveringstijden. Van 2,0 g cesium-137 (t½ = 30 jaar), hoeveel is er na 45 jaar over? t / t½ = 1,5, dus N = 2,0 · 0,51,5 = 2,0 · 0,354 = 0,71 g. Let op: dat is níét het gemiddelde van 1,0 g (na 30 jaar) en 0,5 g (na 60 jaar), want de kromme is geen rechte lijn. Het cesium dat bij Tsjernobyl (1986) vrijkwam, is in 2026 — 40 jaar later — voor ongeveer 0,51,33 ≈ 40 % nog aanwezig.

Wil je juist de tijd berekenen, dan gebruik je een logaritme: t = t½ · log(N/N₀) / log(½). Op de VWO leer je daarnaast de vervalconstante λ = ln 2 / t½, waarmee N = N₀ · e−λt. Beide vormen geven precies hetzelfde antwoord.

Halveringstijden van bekende isotopen

Halveringstijden lopen uiteen van microseconden tot miljarden jaren. Voor toepassingen kies je een isotoop waarvan de halveringstijd past bij de klus: kort genoeg om snel ‘op’ te zijn in een patiënt, lang genoeg om de meting te kunnen doen.

Halveringstijd en soort straling (afgerond)
Isotoopt½VervalWaar kom je het tegen?
Fluor-18110 minutenβ⁺PET-scan (tracer FDG)
Technetium-99m6,0 uurγmeest gebruikte medische tracer (botscan)
Radon-2223,8 dagenαedelgas uit de bodem, binnenlucht
Jodium-1318,0 dagenβ⁻ (+γ)schildkliertherapie; vrijgekomen bij kernongevallen
Kobalt-605,3 jaarβ⁻ (+γ)bestraling, sterilisatie van medische materialen
Cesium-13730 jaarβ⁻ (+γ)splijtingsproduct, Tsjernobyl en Fukushima
Americium-241432 jaarαionisatierookmelder
Koolstof-145730 jaarβ⁻ouderdomsbepaling van organisch materiaal
Plutonium-23924 100 jaarαkernbrandstof, langlevend afval
Kalium-401,25 miljard jaarβ⁻ (vooral)in bananen, in je eigen lichaam
Uranium-2384,47 miljard jaarαuraniumerts, datering van gesteente

U-238 heeft een halveringstijd die bijna gelijk is aan de leeftijd van de aarde (4,54 miljard jaar). Van het uranium-238 waarmee de aarde begon, is dus nog iets meer dan de helft over. Isotopen met een halveringstijd van minder dan zo’n 100 miljoen jaar die je in de natuur vindt, moeten daarom steeds opnieuw worden aangemaakt — zoals C-14 in de atmosfeer en radon in de uraniumreeks.

Activiteit in becquerel

De activiteit A is het aantal kernen dat per seconde vervalt. De eenheid is de becquerel: 1 Bq = 1 verval per seconde (de oude eenheid curie, 1 Ci = 3,7 · 10¹⁰ Bq, is vernoemd naar Marie en Pierre Curie). Omdat de activiteit evenredig is met het aantal aanwezige kernen, halveert hij in hetzelfde tempo:

A(t) = A₀ · (½)t / t½   en   A = N · ln 2 / t½
A
activiteit, in becquerel (Bq = s⁻¹)
N
aantal radioactieve kernen
t½
halveringstijd, hier in seconden

Voorbeeld 3 — waarom korte halveringstijd ‘feller’ is. Neem 1,0 · 10¹⁵ kernen Tc-99m (t½ = 6,0 h = 21 600 s): A = 1,0 · 10¹⁵ × 0,693 / 21 600 ≈ 3,2 · 10¹⁰ Bq = 32 GBq. Hetzelfde aantal kernen U-238 (t½ = 1,41 · 10¹⁷ s) geeft maar ongeveer 0,005 Bq: zes miljard keer minder. Hoe korter de halveringstijd, hoe hoger de activiteit per kern — maar ook hoe sneller die activiteit weer weg is.

Je eigen lichaam heeft een activiteit van ongeveer 7 000 à 8 000 Bq, vooral door kalium-40 en koolstof-14 die met je voedsel binnenkomen.

Rekenvoorbeeld: C-14-datering

In de atmosfeer ontstaat voortdurend C-14 doordat kosmische straling stikstof raakt. Levende planten en dieren nemen dat op en hebben daardoor een vrijwel constante activiteit van ongeveer 0,23 Bq per gram koolstof. Na de dood stopt de aanvoer en neemt de activiteit af met een halveringstijd van 5730 jaar.

Voorbeeld 4a — een heel aantal halveringstijden. Houtskool uit een oude haard meet 0,057 Bq per gram koolstof. 0,057 / 0,23 ≈ 0,25 = (½)², dus er zijn 2 halveringstijden verstreken: 2 × 5730 = 11 460 jaar, afgerond ongeveer 11 500 jaar oud.

Voorbeeld 4b — met de logaritme. Een stuk bot heeft nog 30 % van de oorspronkelijke C-14-activiteit. t = 5730 × log(0,30) / log(0,5) = 5730 × (−0,523) / (−0,301) = 5730 × 1,74 ≈ 1,0 · 10⁴ jaar. Controle: dat is tussen 1 t½ (50 %) en 2 t½ (25 %) in, en dichter bij 2 — klopt.

C-14 werkt tot ongeveer 50 000 jaar terug. Daarna (zo’n negen halveringstijden) is minder dan 0,2 % over en valt het signaal weg in de achtergrond. Voor gesteenten van miljoenen tot miljarden jaren gebruiken geologen daarom uranium-lood- of kalium-argondatering, met halveringstijden in dezelfde orde als de gezochte leeftijd.

Dracht, ioniserend vermogen en afscherming

Straling is gevaarlijk omdat ze ioniseert: ze slaat elektronen los uit atomen en kan zo DNA beschadigen. Hoe sterker een soort straling ioniseert, hoe sneller ze haar energie kwijt is en hoe kleiner de dracht (de afstand die ze aflegt):

Ioniserend en doordringend vermogen
StralingIoniserend vermogenDracht in luchtTegengehouden door
αzeer grootenkele cmpapier, de dode buitenlaag van je huid
βmiddeltot enkele metersenkele mm aluminium of perspex
γkleinzeer grootnooit helemaal; lood of dik beton verzwakt

Gammastraling wordt niet ‘gestopt’ maar exponentieel verzwakt, met dezelfde wiskunde als verval. De halveringsdikte d½ is de dikte die de intensiteit halveert: I = I₀ · (½)d / d½. Voor de γ-straling van Cs-137 is d½ in lood ongeveer 0,65 cm. Een loodscherm van 3,25 cm (5 halveringsdiktes) laat dus nog 1/32 ≈ 3 % door.

Daaruit volgt een belangrijk verschil tussen bestraling en besmetting. Een α-bron buiten je lichaam is vrijwel ongevaarlijk: de deeltjes halen je levende cellen niet. Maar adem je radon of polonium in, dan ligt de bron ín je longen en komt al die ionisatie-energie in een paar cellagen terecht. Daarom is radon, ondanks zijn korte dracht, de grootste natuurlijke stralingsbron binnenshuis. Wie bestraald is, wordt zelf niet radioactief; wie besmet is, draagt de radioactieve stof mee.

Stralingsdosis in gray en sievert

Activiteit zegt hoeveel vervallen er per seconde plaatsvinden, niet hoeveel schade je oploopt. Daarvoor zijn twee dosisgrootheden:

D = E / m   en   H = wR · D
D
geabsorbeerde dosis, in gray (Gy = J/kg)
E
door het weefsel opgenomen stralingsenergie, in J
m
massa van het bestraalde weefsel, in kg
H
equivalente dosis, in sievert (Sv)
wR
stralingsweegfactor: 1 voor β en γ, 20 voor α

Voorbeeld 5. Iemand van 70 kg absorbeert 0,014 J aan γ-straling over het hele lichaam. D = 0,014 / 70 = 2,0 · 10⁻⁴ Gy = 0,20 mGy; met wR = 1 is H = 0,20 mSv. Was dezelfde energie door α-straling afgegeven, dan was H = 20 × 0,20 = 4,0 mSv. Merk op hoe weinig energie dat is: 0,014 J verwarmt je lichaam met nog geen tienmiljoenste graad. Straling is niet gevaarlijk door de warmte, maar doordat elke ionisatie precies een molecuul kan beschadigen.

Stralingsdoses ter vergelijking (orde van grootte)
BronEffectieve dosis
Röntgenfoto van de borstca. 0,02 mSv
Retourvlucht Amsterdam–New Yorkca. 0,05 à 0,1 mSv
Kosmische straling in Nederland, per jaarca. 0,3 mSv
Kalium-40 in je eigen lichaam, per jaarca. 0,2 mSv
Gemiddelde totale dosis per inwoner van Nederland, per jaar (RIVM)ca. 2,8 mSv
CT-scan van de buikenkele mSv tot ca. 10 mSv
Limiet voor extra dosis voor burgers (exclusief medisch), per jaar1 mSv
Limiet voor blootgestelde werknemers, per jaar20 mSv

Van de gemiddeld 2,8 mSv die een Nederlander per jaar oploopt, komen de grootste bijdragen van natuurlijke straling in huis (radon, thoron en straling uit bouwmaterialen) en van medisch onderzoek. De kernindustrie draagt minder dan 1 % bij. Stralingsbescherming volgt drie regels: afstand (de intensiteit van een puntbron daalt met het kwadraat van de afstand), afscherming en tijd (zo kort mogelijk).

Veelgestelde vragen

Wat is de formule voor halveringstijd?

N = N₀ · (½)^(t/t½). N₀ is het beginaantal kernen, N het aantal na tijd t en t½ de halveringstijd. Dezelfde formule geldt voor massa en activiteit. Voor de tijd zelf: t = t½ · log(N/N₀) / log(½).

Wat is het verschil tussen halveringstijd en halfwaardetijd?

Geen: het zijn twee woorden voor hetzelfde begrip, de tijd waarin de helft van de radioactieve kernen vervalt. In de Nederlandse natuurkundeles en in Binas heet het meestal halveringstijd; in de geneeskunde en farmacologie wordt vaak halfwaardetijd gezegd.

Kun je de halveringstijd veranderen door te verwarmen of af te koelen?

Nee. Verval is een proces in de kern, die afgeschermd zit van alles wat chemie en temperatuur doen met de elektronen. Daarom is radioactief verval zo’n betrouwbare klok voor datering.

Wat gebeurt er bij bètaverval?

Bij β⁻-verval verandert in de kern een neutron in een proton. Het elektron en een antineutrino worden uitgezonden. Het massagetal blijft gelijk en het atoomnummer stijgt met 1, zodat er een nieuw element ontstaat, zoals C-14 dat N-14 wordt.

Hoeveel straling krijg je per jaar in Nederland?

Gemiddeld ongeveer 2,8 millisievert per jaar volgens het RIVM. Het grootste deel komt van natuurlijke bronnen in huis, zoals radon en bouwmaterialen, en van medisch onderzoek. Kosmische straling levert ongeveer 0,3 mSv.

Word je radioactief als je bestraald wordt?

Nee. Bij bestraling met α-, β- of γ-straling van buitenaf word je niet zelf radioactief. Alleen bij besmetting, als je een radioactieve stof inademt, inslikt of op je huid krijgt, draag je een bron mee.

Verder lezen