| Symbool | Au |
|---|---|
| Atoomnummer | 79 |
| Atoommassa | 196,97 u |
| Categorie | Overgangsmetaal |
| Groep | 11 |
| Periode | 6 |
| Blok | d-blok |
| Fase bij 20 °C | vast |
| Smeltpunt | 1064 °C |
| Kookpunt | 2856 °C |
| Dichtheid | 19,32 g/cm³ |
| Elektronenconfiguratie | [Xe] 4f14 5d10 6s1 |
| Elektronen per schil | 2, 8, 18, 32, 18, 1 |
| Elektronegativiteit (Pauling) | 2,54 |
| Oxidatiegetallen | +1, +3 |
| Ontdekt | prehistorie |
| Engelse naam | Gold |
| Latijnse naam | Aurum |
Eigenschappen van goud
Goud is het meest pletbare en rekbare metaal: één gram kan worden uitgeslagen tot een vel van bijna een vierkante meter, of uitgetrokken tot een draad van kilometers lang. Het is een uitstekende geleider van warmte en elektriciteit. De gele kleur is een gevolg van relativistische effecten: doordat de binnenste elektronen bijna met de lichtsnelheid bewegen, verschuiven de energieniveaus zodat goud blauw licht absorbeert. Chemisch is goud het edelste metaal: het reageert niet met zuurstof, water of de meeste zuren. Alleen koningswater en cyanide-oplossingen in de aanwezigheid van zuurstof lossen het op. In verbindingen heeft goud meestal oxidatiegetal +1 of +3, en het kan zelfs een negatief ion vormen, auride (Au−), zoals in cesiumauride. Er is één stabiele isotoop, goud-197. Zuiver goud is 24 karaat; voor sieraden wordt het gelegeerd met zilver, koper of palladium, wat het harder maakt en de kleur verandert.
Naam. Het symbool Au komt van het Latijnse aurum, dat waarschijnlijk 'glanzende dageraad' betekent; het Nederlandse goud is verwant aan het Indo-Europese woord voor geel.
Atoombouw en plaats in het periodiek systeem
Goud staat in periode 6 en groep 11 van het periodiek systeem, in het d-blok.
Een neutraal atoom heeft 79 protonen in de kern en 79 elektronen, verdeeld over 6 schillen: 2, 8, 18, 32, 18, 1. Het periodenummer (6) is gelijk aan het aantal schillen.
Buren in het systeem: links/ervoor: Platina (Pt, 78); rechts/erna: Kwik (Hg, 80); erboven in dezelfde groep: Zilver (Ag); eronder in dezelfde groep: Roentgenium (Rg).
Andere elementen in groep 11: Koper, Zilver, Roentgenium.
Voorkomen
Goud komt met ongeveer 4 microgram per kilogram in de aardkorst voor, vaak als gedegen metaal in kwartsaders of als korrels in rivierzand, maar ook gebonden aan tellurium of in sulfide-ertsen. China, Australië, Rusland en Canada behoren tot de grootste producenten. Bij moderne mijnbouw wordt fijngemalen erts met een cyanide-oplossing behandeld, waarna het goud wordt teruggewonnen. Zeewater bevat ook goud, maar in zulke lage concentraties dat winning niet loont. Ongeveer een kwart van het goudaanbod komt uit recycling.
Toepassingen
- Sieraden, munten en goudstaven als belegging zijn nog altijd de grootste afnemers van goud.
- In elektronica zitten dunne goudlaagjes op contacten en aansluitdraadjes in chips, omdat goud niet oxideert en goed geleidt.
- Satellieten en astronautenhelmen hebben een dun goudlaagje dat infraroodstraling en zonlicht weerkaatst.
- Tandartsen gebruikten goudlegeringen voor kronen en vullingen, omdat het lichaam goud goed verdraagt.
- Goudnanodeeltjes worden gebruikt in zwangerschapstests, coronasneltests en in onderzoek naar kankerbehandeling.
Veelgestelde vragen
Waarom roest goud niet?
Goud is een edel metaal: zijn buitenste elektronen zitten zo stevig vast dat het nauwelijks elektronen afstaat aan zuurstof of andere stoffen. Daardoor ontstaat er geen oxidelaag en blijft goud eeuwenlang glanzend. Alleen speciale mengsels zoals koningswater of cyanide met zuurstof kunnen goud oplossen.
Wat betekent 18 karaat goud?
Karaat geeft aan hoeveel delen van de 24 zuiver goud zijn. 24 karaat is vrijwel puur goud, 18 karaat bevat 75 procent goud en 14 karaat ongeveer 58,5 procent. De rest is meestal zilver, koper of palladium, wat het metaal harder maakt en de kleur bepaalt.
Waar komt goud vandaan?
Goud is in de ruimte ontstaan, vooral bij botsingen van neutronensterren en mogelijk in bijzondere supernova's. Daarbij vangen atoomkernen razendsnel veel neutronen in. Het goud kwam met stof en planetoïden in de wolk terecht waaruit de aarde ontstond, en later met inslagen in de aardkorst.