Druk is kracht per oppervlakte: p = F/A, in pascal (1 Pa = 1 N/m²). De standaardluchtdruk op zeeniveau is 101 325 Pa, meestal geschreven als 1013,25 hectopascal (hPa) of millibar. Op elke vierkante meter drukt dus een kracht van ruim 100 000 N, het gewicht van ongeveer 10 ton. We merken daar niets van, omdat de druk in ons lichaam even groot is en de lucht van alle kanten duwt.
Evangelista Torricelli toonde in 1643 aan dat de luchtdruk een kwikkolom van 760 mm hoog kan dragen; een waterkolom zou ruim 10 m hoog worden. Met de hoogte neemt de luchtdruk af, grofweg tot de helft per 5,5 km. Op de top van de Mount Everest is hij nog maar ongeveer 330 hPa, en in een vliegtuigcabine wordt de druk kunstmatig op zo'n 750–800 hPa gehouden.
Op het weerkaartje zie je hogedrukgebieden (H) en lagedrukgebieden (L). Lucht stroomt van hoge naar lage druk en veroorzaakt zo wind; door het corioliseffect draait die op het noordelijk halfrond tegen de klok in rond een lagedrukgebied. In Nederland en België schommelt de luchtdruk meestal tussen 980 en 1040 hPa. Een snel dalende barometer voorspelt vaak regen of storm, omdat opstijgende lucht in een depressie afkoelt en condenseert.
In welke discipline?
Meteorologie (aardwetenschappen) en natuurkunde (druk en gassen).