Hoe een wolk ontstaat
- Verdamping — water verdampt van zeeën, meren en planten.
- Stijging — warme lucht (met waterdamp) stijgt op door zonnewarmte, een berg of een koufront.
- Afkoeling — hoger in de lucht is het kouder; de lucht zet uit en koelt af (adiabatisch).
- Condensatie — bij verzadiging condenseert de damp op aerosolen — minuscule deeltjes in de lucht.
- Wolk — miljarden druppeltjes (of ijskristalletjes) van 5-20 µm vormen samen een zichtbare wolk.
Drie hoogtelagen
| Laag | Hoogte | Belangrijkste soorten |
|---|---|---|
| Hoog | 5–13 km | cirrus, cirrostratus, cirrocumulus |
| Midden | 2–7 km | altostratus, altocumulus |
| Laag | 0–2 km | stratus, stratocumulus, nimbostratus |
| Verticaal | 0,5–12 km | cumulus, cumulonimbus |
De basisnamen zijn Latijn: cirrus = sliertvormig, cumulus = stapelvormig, stratus = laagvormig, nimbus = regenwolk. Combinaties beschrijven mengvormen.
Vormen van neerslag
- Regen — vloeibare druppels > 0,5 mm.
- Motregen — druppels < 0,5 mm; vallen langzaam.
- Sneeuw — ijskristallen die niet tussentijds smelten.
- Hagel — ijsbolletjes (1 mm tot enkele cm) gevormd in onweerswolken.
- IJzel — onderkoelde regen die op de grond bevriest.
- Korrelhagel/sneeuwgrut — kleine zachte ijskorrels.
Onweerswolken
De cumulonimbus is de "vader van de wolken": kan 12 km hoog reiken, met een typisch aambeeld-vormige top. Binnenin razen op- en neerwaartse stromen tot 30 m/s. Het temperatuurverschil tussen ijskristallen boven en waterdruppels onder bouwt een statische lading op — bij ontlading: bliksem en donder.