Pijlerartikel · Meteorologie

Wolken en neerslag

Wolken ontstaan wanneer waterdamp in stijgende lucht afkoelt en condenseert op kleine zwevende deeltjes — stof, zout of pollen. Als de waterdruppeltjes of ijskristallen groot genoeg worden, vallen ze als regen, sneeuw, hagel of motregen. Het hele proces is een schakel in de waterkringloop.

Hoe een wolk ontstaat

  1. Verdamping — water verdampt van zeeën, meren en planten.
  2. Stijging — warme lucht (met waterdamp) stijgt op door zonnewarmte, een berg of een koufront.
  3. Afkoeling — hoger in de lucht is het kouder; de lucht zet uit en koelt af (adiabatisch).
  4. Condensatie — bij verzadiging condenseert de damp op aerosolen — minuscule deeltjes in de lucht.
  5. Wolk — miljarden druppeltjes (of ijskristalletjes) van 5-20 µm vormen samen een zichtbare wolk.

Drie hoogtelagen

Wolkensoorten naar hoogte (Luke Howard, 1803)
LaagHoogteBelangrijkste soorten
Hoog5–13 kmcirrus, cirrostratus, cirrocumulus
Midden2–7 kmaltostratus, altocumulus
Laag0–2 kmstratus, stratocumulus, nimbostratus
Verticaal0,5–12 kmcumulus, cumulonimbus

De basisnamen zijn Latijn: cirrus = sliertvormig, cumulus = stapelvormig, stratus = laagvormig, nimbus = regenwolk. Combinaties beschrijven mengvormen.

Vormen van neerslag

  • Regen — vloeibare druppels > 0,5 mm.
  • Motregen — druppels < 0,5 mm; vallen langzaam.
  • Sneeuw — ijskristallen die niet tussentijds smelten.
  • Hagel — ijsbolletjes (1 mm tot enkele cm) gevormd in onweerswolken.
  • IJzel — onderkoelde regen die op de grond bevriest.
  • Korrelhagel/sneeuwgrut — kleine zachte ijskorrels.

Onweerswolken

De cumulonimbus is de "vader van de wolken": kan 12 km hoog reiken, met een typisch aambeeld-vormige top. Binnenin razen op- en neerwaartse stromen tot 30 m/s. Het temperatuurverschil tussen ijskristallen boven en waterdruppels onder bouwt een statische lading op — bij ontlading: bliksem en donder.

Verwante begrippen

Verder lezen