Begrippenlijst · C

Condensatie

Condensatie is de faseovergang waarbij een stof van de gasfase overgaat in de vloeibare fase; het is het omgekeerde van verdamping.

Lucht kan maar een beperkte hoeveelheid waterdamp bevatten, en dat maximum daalt met de temperatuur. Koelt lucht af tot het dauwpunt, dan is ze verzadigd (relatieve vochtigheid 100%) en condenseert het teveel aan waterdamp tot druppeltjes. Dat zie je aan een beslagen bril als je binnenkomt, een beslagen badkamerspiegel, dauw op het gras na een heldere nacht of druppels op een koud blikje frisdrank.

In de lucht heeft waterdamp een ondergrond nodig: condensatiekernen, minuscule deeltjes van stof, zeezout of roet van een paar tienden van een micrometer. Daaromheen groeien wolkendruppels van ongeveer 10 tot 20 µm. Een regendruppel bevat de waterhoeveelheid van zo'n miljoen wolkendruppels. Zo is condensatie een essentiële stap in de waterkringloop.

Bij condensatie komt warmte vrij: evenveel als er nodig was om de vloeistof te verdampen, voor water ongeveer 2,26 MJ per kilogram bij 100 °C. Daarom is een verbranding door stoom erger dan door kokend water. In de atmosfeer drijft die vrijkomende warmte onweersbuien en orkanen aan, en in een hr-ketel wordt ze benut door de waterdamp in de rookgassen te laten condenseren.

In welke discipline?

Natuurkunde (thermodynamica), scheikunde en meteorologie.

Verwante termen

Lees meer