Formule
Q = m · c · ΔT
- Q
- warmte, in joule (J)
- m
- massa, in kg
- c
- soortelijke warmte van de stof, in J/(kg·K)
- ΔT
- temperatuurverandering, in K of °C (verschil — beide schalen gelijk)
Waarden van veelvoorkomende stoffen
| Stof | c (J/(kg·K)) |
|---|---|
| Water (vloeibaar) | 4 186 |
| IJs | 2 090 |
| Lucht | 1 005 |
| Hout | ~1 700 |
| Glas | ~840 |
| Aluminium | 897 |
| IJzer/staal | ~450 |
| Koper | 385 |
| Lood | 129 |
Waarom water zo bijzonder is
Water heeft een uitzonderlijk hoge soortelijke warmte — meer dan vier keer die van lucht. Daardoor:
- Verwarmen oceanen langzaam, maar koelen ze ook traag af. Kuststeden hebben mildere winters dan steden in het binnenland.
- Verwarmt water in een fluitketel relatief lang.
- Werkt het als een goede temperatuurbuffer in dier- en planten cellen.
Uitgewerkt voorbeeld
Hoeveel energie kost het om 1,5 liter water (1,5 kg) van 20 °C tot 100 °C te verwarmen?
Q = m · c · ΔT = 1,5 × 4 186 × 80 = 502 320 J ≈ 500 kJ.
Een waterkoker van 2 000 W levert dat in ongeveer 500 000 / 2 000 = 250 seconden, dus ruim 4 minuten. In praktijk wat langer wegens verliezen aan de omgeving.