Ongeveer 90% van alle ozon zit in de stratosfeer, in de ozonlaag tussen 15 en 35 km hoogte. Daar splitst uv-straling van de zon zuurstofmoleculen (O2) in losse atomen, die zich met een ander O2-molecuul tot O3 binden. Ozon absorbeert vervolgens vrijwel alle uv-C en het grootste deel van de uv-B (golflengten korter dan ongeveer 315 nm). Toch is de laag heel dun: als je alle ozon boven je hoofd op zeeniveau zou samendrukken, was het een laagje van ongeveer 3 mm (300 Dobson-eenheden).
Vanaf de jaren 1970 bleek dat chloorfluorkoolwaterstoffen (cfk's) uit spuitbussen en koelkasten de ozonlaag aantasten: één chlooratoom kan duizenden ozonmoleculen afbreken. Boven Antarctica ontstaat daardoor elk voorjaar een ozongat. Na het Montrealprotocol van 1987 werden cfk's uitgefaseerd; de ozonlaag herstelt langzaam en zal boven Antarctica naar verwachting rond 2066 weer op het niveau van 1980 zijn.
Op leefniveau is ozon juist ongewenst. Op warme, zonnige dagen vormt het zich uit stikstofoxiden en vluchtige koolwaterstoffen van verkeer en industrie: zomersmog. Het prikkelt ogen en luchtwegen; boven 180 µg/m³ geven het RIVM en de Vlaamse milieudiensten een waarschuwing. Ozon is bovendien een broeikasgas en een sterk oxidatiemiddel, dat ook wordt gebruikt om drinkwater te desinfecteren.
In welke discipline?
Scheikunde (atmosfeerchemie) en meteorologie en klimatologie (aardwetenschappen).