Begrippenlijst · I

Impuls

Impuls (hoeveelheid van beweging) is het product van massa en snelheid: p = m · v, met eenheid kg·m/s.

Impuls is een vector en wijst dezelfde kant op als de snelheid. De belangrijkste eigenschap is de wet van behoud van impuls: in een gesloten systeem, zonder uitwendige krachten, is de totale impuls voor en na een botsing of explosie gelijk. De tweede wet van Newton kun je ook schrijven als F = Δp / Δt; de stoot F · Δt is gelijk aan de impulsverandering. Het idee gaat terug op René Descartes (quantitas motus) en werd door Newton in zijn wetten verwerkt.

Een raket werkt volgens impulsbehoud: het uitgestoten gas krijgt impuls naar achteren, dus krijgt de raket evenveel impuls naar voren — ook in vacuüm, waar er niets is om tegen af te zetten. Een airbag of kreukelzone verlengt de botsingstijd Δt; bij dezelfde impulsverandering wordt de kracht op je lichaam daardoor veel kleiner.

Rekenvoorbeeld: een wagentje van 2,0 kg rijdt met 3,0 m/s tegen een stilstaand wagentje van 1,0 kg; ze haken aan elkaar vast. De impuls vooraf is 2,0 × 3,0 = 6,0 kg·m/s. Na de botsing bewegen ze samen (3,0 kg), dus v = 6,0 / 3,0 = 2,0 m/s. Een tennisbal van 58 g met 50 m/s heeft een impuls van ongeveer 2,9 kg·m/s. Let op: in de natuurkunde betekent impuls iets anders dan ‘een plotselinge opwelling’.

In welke discipline?

Natuurkunde (mechanica, botsingen) en sterrenkunde (ruimtevaart, raketvoortstuwing).

Verwante termen

Lees meer