Een versnelling van 2 m/s² betekent dat de snelheid elke seconde met 2 m/s toeneemt. Versnelling is een vector: ook afremmen (negatieve versnelling of vertraging) en van richting veranderen tellen mee. Een auto die met constante snelheid door een bocht rijdt, versnelt dus wel, namelijk naar het middelpunt van de bocht: a = v² / r. Bij een eenparig versnelde beweging vanuit stilstand geldt v = a·t en s = ½·a·t².
Galileo Galilei ontdekte rond 1600 met hellende gootjes dat vallende voorwerpen gelijkmatig versnellen, onafhankelijk van hun massa (als je de luchtweerstand verwaarloost). Newton koppelde versnelling aan kracht: a = Fres / m. Aan het aardoppervlak is de valversnelling g ≈ 9,81 m/s². Versnellingen worden vaak uitgedrukt in ‘g’: in een achtbaan ervaar je kortstondig 3 tot 5 g.
Rekenvoorbeelden: een auto die in 8,0 s van 0 naar 100 km/h (27,8 m/s) gaat, heeft een gemiddelde versnelling van 27,8 / 8,0 ≈ 3,5 m/s². Een steen die je van een brug laat vallen, heeft na 2,0 s een snelheid van 9,81 × 2,0 ≈ 19,6 m/s en is dan ½ × 9,81 × 2,0² ≈ 19,6 m gevallen. In een (v,t)-diagram is de versnelling de helling van de grafiek.
In welke discipline?
Natuurkunde (mechanica, beweging) en sterrenkunde (banen, ruimtevaart).