Pijlerartikel · Exoplaneten

Methoden om exoplaneten te vinden

Exoplaneten — planeten buiten ons zonnestelsel — zijn meestal te klein en te zwak om direct te zien. Astronomen vinden ze indirect, door hun effect op het licht van hun moederster te meten. Sinds 1995 zijn op die manier al meer dan 5.000 exoplaneten ontdekt, en de teller loopt door.

Transitmethode

De meest succesvolle techniek. Wanneer een planeet voor zijn ster langs trekt (een "transit"), blokkeert ze een klein deel van het sterlicht. De helderheid daalt tijdelijk — vaak met maar 0,01-1%. Door tienduizenden sterren tegelijk te volgen, kan een ruimtetelescoop (Kepler, TESS) deze dipjes herkennen.

Radiale-snelheidmethode (Doppler-effect)

Een planeet trekt aan zijn ster, waardoor de ster heel licht heen en weer wiebelt. Die beweging veroorzaakt een minieme verschuiving in het kleurenspectrum van het sterlicht (Doppler-effect): rood-verschuiving als de ster wegbeweegt, blauw-verschuiving als de ster naar ons toekomt. De eerste exoplaneet rond een gewone ster (51 Pegasi b, 1995) werd zo gevonden.

Directe beeldvorming

In zeldzame gevallen kan een planeet direct zichtbaar worden gemaakt, vooral wanneer ze ver van de ster staat en heel jong (en dus heel heet) is. Speciale technieken zoals coronografie blokkeren het sterlicht. Dit levert de mooiste plaatjes maar werkt maar voor enkele systemen.

Microlensing en astrometrie

  • Microlensing — een passerende ster fungeert als lens en versterkt het licht van een achterliggende ster. Een planeet rond de lens veroorzaakt een extra "piekje" in het verloop.
  • Astrometrie — het exact opmeten van de positie van een ster om de wiebelbeweging zelf direct te detecteren.

Verwante begrippen

Verder lezen