Artikel · Chemische reacties

Rekenen met de mol: molaire massa, deeltjes en massaverhoudingen

Rekenen met de mol komt neer op één stap: zet elke gegeven hoeveelheid (gram, liter gas of mol per liter) om naar mol, gebruik de verhouding uit de kloppende reactievergelijking, en reken terug naar wat gevraagd wordt. De sleutel is n = m / M: het aantal mol is de massa gedeeld door de molaire massa uit het periodiek systeem.

Waarom tellen scheikundigen in mol?

Een reactievergelijking vertelt hoeveel deeltjes met elkaar reageren: CH₄ + 2 O₂ → CO₂ + 2 H₂O betekent dat één molecuul methaan met twee moleculen zuurstof reageert. Maar in het lab weeg je gram af, en één gram bevat zo’n 10²² moleculen. De mol is het pakketje dat die twee werelden verbindt: 1 mol = 6,022 · 10²³ deeltjes (de constante van Avogadro, NA). Dat getal is zo gekozen dat de massa van 1 mol stof in gram gelijk is aan de molecuulmassa in u. Dezelfde getallen uit het periodiek systeem werken dus op beide schalen.

Hoe groot dat getal is: 6,022 · 10²³ zandkorrels van een kubieke millimeter zouden heel Nederland bedekken met een laag van meer dan tien kilometer dik. Toch past een mol watermoleculen (18 g) in een eetlepel.

Molaire massa berekenen

De molaire massa M (in g/mol) van een stof is de som van de atoommassa’s in de formule. Neem een index achter een atoom mee en tel ook alles binnen haakjes: Ca(OH)₂ bevat 1 Ca, 2 O en 2 H.

Molaire massa’s (atoommassa’s: H 1,008 · C 12,01 · N 14,01 · O 16,00 · Mg 24,31 · Cl 35,45 · K 39,10 · Fe 55,85)
StofBerekeningM (g/mol)
H₂O2 × 1,008 + 16,0018,02
O₂2 × 16,0032,00
CH₄12,01 + 4 × 1,00816,04
CO₂12,01 + 2 × 16,0044,01
NH₃14,01 + 3 × 1,00817,03
KCl39,10 + 35,4574,55
Fe₂O₃2 × 55,85 + 3 × 16,00159,70
C₆H₁₂O₆ (glucose)6 × 12,01 + 12 × 1,008 + 6 × 16,00180,16

Het rekenschema

Bijna elke opgave past in dit schema. De mol staat in het midden; je komt er altijd via één van de randen in, en gaat er via een andere rand weer uit.

n = m / M   ·   N = n · NA   ·   n = c · V   ·   n = Vgas / Vm
n
stofhoeveelheid, in mol
m, M
massa in g; molaire massa in g/mol
N, NA
aantal deeltjes; constante van Avogadro 6,022 · 10²³ mol⁻¹
c, V
molariteit in mol/L; volume oplossing in L
Vgas, Vm
gasvolume in L; molair volume, 24,5 L/mol bij 298 K en p₀ (22,4 L/mol bij 273 K)
Rekenschema: in het midden het aantal mol, verbonden met massa via delen door M, met aantal deeltjes via N_A, met volume gas via V_m, met concentratie via c maal V, en via de molverhouding met het aantal mol van een andere stof mol stof A massa (g) aantal deeltjes volume gas (L) c (mol/L) × V (L) mol stof B ÷ M × NA ÷ Vm × molverhouding
Reken altijd eerst naar mol, gebruik dan de molverhouding, en reken daarna pas terug naar gram, liter of deeltjes van de gevraagde stof.

Van gram naar aantal deeltjes

Voorbeeld 1. Hoeveel watermoleculen en hoeveel waterstofatomen zitten er in 9,0 g water? n = 9,0 / 18,02 = 0,50 mol. Aantal moleculen N = 0,50 × 6,022 · 10²³ = 3,0 · 10²³. Elk molecuul bevat 2 H-atomen, dus 6,0 · 10²³ H-atomen: precies 1,0 mol H-atomen. Let op wat je telt: ‘1 mol water’ en ‘1 mol waterstofatomen’ zijn verschillende dingen.

Hetzelfde geldt voor zouten. Los je 1,0 mol CaCl₂ op, dan krijg je 1,0 mol Ca²⁺ en 2,0 mol Cl⁻: samen 3,0 mol ionen.

De molverhouding uit de reactievergelijking

De coëfficiënten in een kloppende reactievergelijking zijn de verhouding in mol — nooit in gram. Bij 2 H₂ + O₂ → 2 H₂O reageert 2 mol H₂ met 1 mol O₂, maar 4,0 g waterstof met 32 g zuurstof: in massa is de verhouding 1 : 8. Wie de coëfficiënten als grammen leest, zit er meteen naast.

Uitgewerkt voorbeeld: hoeveel CO₂ geeft 1 gram methaan?

Aardgas bestaat grotendeels uit methaan. CH₄ + 2 O₂ → CO₂ + 2 H₂O.

  1. Gegeven naar mol: n(CH₄) = 1,00 / 16,04 = 0,0623 mol.
  2. Molverhouding: CH₄ : CO₂ = 1 : 1, dus n(CO₂) = 0,0623 mol. Verder CH₄ : O₂ = 1 : 2 en CH₄ : H₂O = 1 : 2, dus n(O₂) = n(H₂O) = 0,1247 mol.
  3. Terug naar gram: m(CO₂) = 0,0623 × 44,01 = 2,74 g; m(O₂) = 0,1247 × 32,00 = 3,99 g; m(H₂O) = 0,1247 × 18,02 = 2,25 g.
  4. Controle met massabehoud: links 1,00 + 3,99 = 4,99 g, rechts 2,74 + 2,25 = 4,99 g. ✓

Een gram brandstof geeft dus bijna drie gram CO₂. Dat voelt vreemd, maar het meeste gewicht komt van de zuurstof uit de lucht die aan de koolstof vastgaat. Bij benzine (grofweg C₈H₁₈) is het zelfs ruim 3 kg CO₂ per kg brandstof.

Uitgewerkt voorbeeld: een KCl-oplossing maken

Vraag: hoeveel gram kaliumchloride heb je nodig voor 100 mL oplossing van 0,200 mol/L? (M(KCl) = 74,55 g/mol)

  1. Volume in liter: 100 mL = 0,100 L.
  2. n = c · V = 0,200 × 0,100 = 0,0200 mol KCl.
  3. m = n · M = 0,0200 × 74,55 = 1,49 g.

Je weegt 1,49 g KCl af, lost het op in een maatkolf van 100 mL en vult aan tot de streep. De omgekeerde route — van gewogen massa naar molariteit — staat stap voor stap in het stappenplan molariteit berekenen.

Gassen: het molair volume

Bij dezelfde temperatuur en druk neemt een mol van elk gas ongeveer hetzelfde volume in, omdat de moleculen zelf verwaarloosbaar klein zijn vergeleken met de ruimte ertussen. Bij standaarddruk (p₀ = 1,013 · 10⁵ Pa) is dat 24,5 L bij 298 K (25 °C) en 22,4 L bij 273 K (0 °C). Kijk in de opgave welke temperatuur gegeven is.

Voorbeeld 2 — CO₂ uit een kuub aardgas. 1,00 m³ = 1000 L methaan bij 298 K is 1000 / 24,5 = 40,8 mol. Dat levert 40,8 mol CO₂, oftewel 40,8 × 44,01 ≈ 1,8 kg CO₂, en in volume óók 1,0 m³ CO₂ (zelfde aantal mol, zelfde omstandigheden). Voor gassen is de molverhouding daardoor direct een volumeverhouding: 1 L CH₄ heeft 2 L O₂ nodig.

Overmaat en ondermaat

Stoffen worden zelden precies in de goede verhouding gemengd. De stof die als eerste op is, heet de stof in ondermaat (de beperkende stof); die bepaalt hoeveel product ontstaat. Van de andere stof blijft iets over: die is in overmaat.

Voorbeeld 3 — magnesium in zoutzuur. Je doet 2,43 g magnesium in 50,0 mL zoutzuur van 2,00 mol/L. Mg + 2 H⁺ → Mg²⁺ + H₂.

  1. n(Mg) = 2,43 / 24,31 = 0,100 mol; n(H⁺) = 2,00 × 0,0500 = 0,100 mol.
  2. 0,100 mol Mg zou 0,200 mol H⁺ nodig hebben; er is maar 0,100 mol. Dus H⁺ is in ondermaat, Mg in overmaat.
  3. Reken verder met de ondermaat: n(H₂) = ½ × 0,100 = 0,0500 mol → V = 0,0500 × 24,5 = 1,23 L waterstofgas.
  4. Verbruikt Mg: 0,0500 mol; over: 0,0500 mol × 24,31 = 1,22 g magnesium blijft liggen.

De truc: deel het aantal mol van elke beginstof door zijn coëfficiënt. De kleinste uitkomst wijst de ondermaat aan (hier Mg: 0,100 / 1 = 0,100; H⁺: 0,100 / 2 = 0,050). Wat er bij deze reactie met de elektronen gebeurt, lees je bij redoxreacties.

In de praktijk ontstaat vaak minder product dan je berekent, door nevenreacties, verlies bij filtreren of een evenwicht dat niet aflopend is. Het rendement is dan werkelijke opbrengst / theoretische opbrengst × 100 %.

Massaverhouding en massapercentage in een verbinding

Uit een formule volgt ook welk deel van de massa uit een bepaald element bestaat. Voorbeeld 4 — ijzer uit ijzererts. Hematiet is Fe₂O₃ (M = 159,70 g/mol). Het massapercentage ijzer is 2 × 55,85 / 159,70 × 100 % = 69,9 %. Uit 1,00 ton zuiver hematiet haal je dus hooguit 699 kg ijzer. De massaverhouding Fe : O is 111,70 : 48,00 ≈ 2,33 : 1.

Zo kun je ook omgekeerd een formule vinden: bevat een stof 75 % koolstof en 25 % waterstof (in massa), dan is de molverhouding C : H = 75 / 12,01 : 25 / 1,008 = 6,24 : 24,8 ≈ 1 : 4, dus CH₄.

Veelgestelde vragen

Hoe bereken je het aantal mol?

Deel de massa in gram door de molaire massa: n = m / M. Voor een oplossing geldt n = c · V (V in liter) en voor een gas n = V / Vm, met Vm = 24,5 L/mol bij 298 K.

Hoe bereken je de molaire massa?

Tel de atoommassa’s uit het periodiek systeem op volgens de formule. Voor CO₂: 12,01 + 2 × 16,00 = 44,01 g/mol. Voor KCl: 39,10 + 35,45 = 74,55 g/mol.

Hoeveel gram KCl heb je nodig voor 100 mL van 0,200 mol/L?

n = 0,200 mol/L × 0,100 L = 0,0200 mol. Met M(KCl) = 74,55 g/mol is de massa 0,0200 × 74,55 = 1,49 g.

Wat is de constante van Avogadro?

Het aantal deeltjes in één mol: 6,022 × 10²³ per mol. Eén mol water (18,02 g) bevat dus 6,022 × 10²³ watermoleculen.

Wat is het molair volume van een gas?

Het volume dat één mol gas inneemt. Bij standaarddruk is dat 24,5 L/mol bij 298 K (25 °C) en 22,4 L/mol bij 273 K (0 °C), voor elk gas ongeveer gelijk.

Wat betekent ondermaat?

De stof in ondermaat raakt als eerste op en bepaalt hoeveel product er ontstaat. Je vindt hem door het aantal mol van elke beginstof te delen door de coëfficiënt in de reactievergelijking: de kleinste uitkomst is de ondermaat.

Verder lezen