Pijlerartikel · Mechanica

Snelheid en versnelling — formules en diagrammen

Snelheid is de afstand die je per seconde aflegt (v = s / t, in m/s); versnelling is de verandering van die snelheid per seconde (a = Δv / Δt, in m/s²). Een auto die in 8 seconden van 0 naar 100 km/h gaat, versnelt met ongeveer 3,5 m/s². Met twee diagrammen — plaats tegen tijd en snelheid tegen tijd — kun je elke rechtlijnige beweging aflezen en narekenen.

Snelheid: s = v · t

Bij een eenparige beweging blijft de snelheid constant: elke seconde leg je even veel meter af. Dan geldt de eenvoudigste formule uit de mechanica.

s = v · t
s
afgelegde afstand (verplaatsing), in meter (m)
v
snelheid, in meter per seconde (m/s)
t
tijdsduur, in seconde (s)

In het echt is een beweging zelden eenparig. Daarom onderscheid je twee soorten snelheid:

  • Gemiddelde snelheid — de totale afstand gedeeld door de totale tijd: vgem = stotaal / ttotaal. Stilstaan voor een stoplicht telt gewoon mee in de tijd.
  • Momentane snelheid — de snelheid op één bepaald moment, zoals je snelheidsmeter die aangeeft. Wiskundig is dat de snelheid over een heel klein tijdsinterval.

Rekenvoorbeeld — fietstocht. Je fietst 6,0 km naar school en doet daar 20 minuten over, inclusief twee minuten wachten bij een stoplicht. De gemiddelde snelheid is vgem = 6000 m / 1200 s = 5,0 m/s (18 km/h). Je fietscomputer heeft onderweg ondertussen alles tussen 0 en 25 km/h aangegeven: de momentane snelheid schommelt, het gemiddelde niet.

Snelheid is strikt genomen een vector: ze heeft een grootte én een richting. Een auto die met 50 km/h een rotonde rondrijdt, heeft een constante grootte van de snelheid maar een steeds veranderende richting — en is dus wél aan het versnellen. Hieronder gaat het alleen over rechtlijnige bewegingen, waar alleen de grootte verandert. Voor de basisbetekenis van het begrip, zie ook snelheid in de begrippenlijst.

Van km/h naar m/s (en terug)

In de natuurkunde reken je met m/s, in het verkeer met km/h. De omrekenfactor volgt direct uit de eenheden: 1 km/h = 1000 m / 3600 s = 1/3,6 m/s. Dus:

  • km/h → m/s: delen door 3,6
  • m/s → km/h: vermenigvuldigen met 3,6
Typische snelheden in beide eenheden
Situatiekm/hm/s
Wandelen51,4
Fietsen185,0
Bebouwde kom5013,9
Provinciale weg8022,2
Snelweg100 / 13027,8 / 36,1
Geluid in lucht (20 °C)1235343

Een handig ijkpunt: 36 km/h is precies 10 m/s. Zo controleer je snel of een uitkomst klopt.

Versnelling: a = Δv / Δt

Zodra de snelheid verandert, is er sprake van versnelling. Die geeft aan hoeveel de snelheid per seconde toe- of afneemt.

a = Δv / Δt = (veind − vbegin) / Δt
a
versnelling, in m/s² (meter per seconde, per seconde)
Δv
snelheidsverandering, in m/s
Δt
tijdsduur van die verandering, in s

Een versnelling van 2 m/s² betekent: de snelheid neemt elke seconde met 2 m/s toe. Neemt de snelheid af, dan is Δv negatief en krijg je een negatieve versnelling — in de spreektaal vertraging. Wat de oorzaak van een versnelling is (een netto kracht, F = m · a), beschrijven de wetten van Newton; hier gaat het alleen over het beschrijven van de beweging zelf, de kinematica.

Rekenvoorbeeld — optrekken. Een auto gaat in 8,0 s van stilstand naar 100 km/h. Eerst omrekenen: 100 / 3,6 = 27,8 m/s. Dan a = 27,8 / 8,0 = 3,5 m/s². Ter vergelijking: bij de vrije val is de versnelling 9,81 m/s², bijna drie keer zo groot.

Eenparig versnelde beweging

Bij een eenparig versnelde beweging is de versnelling constant. Start het voorwerp vanuit stilstand, dan gelden:

v = a · t     s = ½ · a · t²
v
snelheid na tijd t, in m/s
s
afgelegde afstand na tijd t, in m
a
constante versnelling, in m/s²

Het kwadraat in s = ½at² betekent dat de afstand niet evenredig met de tijd groeit: in twee keer zoveel tijd leg je vier keer zoveel afstand af. De auto uit het vorige voorbeeld legt tijdens het optrekken s = ½ × 3,47 × 8,0² = 111 m af.

Een tweede, vaak snellere route loopt via de gemiddelde snelheid. Bij constante versnelling ligt die precies midden tussen begin- en eindsnelheid:

vgem = (vbegin + veind) / 2     s = vgem · t

Controle: vgem = (0 + 27,8) / 2 = 13,9 m/s, en 13,9 × 8,0 = 111 m. Dezelfde uitkomst.

Rekenvoorbeeld — inhalen. Heeft het voorwerp al een beginsnelheid, dan gebruik je veind = vbegin + a · t en s = vbegin · t + ½ · a · t². Een auto versnelt tijdens het inhalen in 6,0 s van 80 naar 120 km/h (22,2 naar 33,3 m/s). Versnelling: a = 11,1 / 6,0 = 1,85 m/s². Afstand: vgem = (22,2 + 33,3) / 2 = 27,8 m/s, dus s = 27,8 × 6,0 = 167 m. Via de lange formule: 22,2 × 6,0 + ½ × 1,85 × 36 = 133 + 33 = 167 m. Een inhaalmanoeuvre kost dus al gauw ruim anderhalve voetbalveldlengte.

Het (x,t)-diagram: plaats tegen tijd

In een (x,t)-diagram — soms (s,t)-diagram genoemd — staat de tijd horizontaal en de plaats verticaal. De vorm van de grafiek vertelt direct wat voor beweging het is:

  • Horizontale lijn — de plaats verandert niet: stilstand.
  • Schuine rechte lijn — eenparige beweging. Hoe steiler, hoe sneller. De helling (Δx / Δt) ís de snelheid.
  • Kromme die steeds steiler wordt — de snelheid neemt toe: een versnelde beweging (een parabool bij constante versnelling).
  • Kromme die afvlakt — vertraagde beweging, bijvoorbeeld een remmende fiets.
(x,t)-diagram met drie grafieken: een horizontale lijn voor stilstand, een schuine rechte lijn voor een eenparige beweging en een parabool voor een eenparig versnelde beweging, met een gestippelde raaklijn aan de parabool tx A: stilstand B: eenparig (rechte lijn) C C: eenparig versneld (parabool) stippellijn: raaklijn, helling = momentane snelheid
Drie bewegingen in één (x,t)-diagram. Bij C wordt de grafiek steeds steiler: de snelheid neemt toe. De helling van de raaklijn in het gemarkeerde punt is de momentane snelheid op dat tijdstip.

Momentane snelheid aflezen. Bij een kromme grafiek teken je in het gevraagde punt een raaklijn: een rechte lijn die de grafiek daar net raakt. Kies twee ver uit elkaar liggende punten op die raaklijn (niet op de grafiek!) en bereken Δx / Δt. Hoe verder de punten uit elkaar liggen, hoe kleiner je afleesfout.

Gemiddelde snelheid aflezen. Trek een rechte lijn tussen begin- en eindpunt van het interval. De helling van die lijn (de koorde) is de gemiddelde snelheid over dat interval.

Het (v,t)-diagram: snelheid tegen tijd

In een (v,t)-diagram staat de snelheid verticaal. Hier gelden twee andere afleesregels, en die zijn de kern van veel examenopgaven:

Wat je uit welk diagram haalt
DiagramHelling (steilheid) geeftOppervlakte onder de grafiek geeft
(x,t)snelheidniets bruikbaars
(v,t)versnellingafgelegde afstand

Waarom is de oppervlakte de afstand? Bij een constante snelheid is het gebied onder de grafiek een rechthoek met hoogte v en breedte t — en v · t = s. Bij een schuine lijn wordt het een driehoek of trapezium, maar het principe blijft: elk smal reepje heeft oppervlakte v · Δt, de afstand in dat korte stukje tijd. Bij een kromme grafiek tel je hokjes of verdeel je het gebied in rechthoeken en driehoeken.

Een horizontale lijn in een (v,t)-diagram betekent dus niet stilstand, maar een constante snelheid. Stilstand is een horizontale lijn op v = 0.

Uitgewerkt: de stopafstand van een auto

Een automobilist rijdt 50 km/h en ziet een kind de straat op rennen. De stopafstand bestaat uit twee delen:

  • Reactieafstand — de afstand die je nog met volle snelheid aflegt voordat je voet op de rem staat. Met een reactietijd van 1,0 s: s = v · t = 13,9 × 1,0 = 13,9 m.
  • Remweg — de afstand tijdens het remmen. Met een remvertraging van 7,0 m/s² (droog asfalt, goede banden) duurt het remmen t = 13,9 / 7,0 = 1,98 s. De gemiddelde snelheid tijdens het remmen is 13,9 / 2 = 6,9 m/s, dus de remweg is 6,9 × 1,98 = 13,8 m.

De totale stopafstand is 13,9 + 13,8 ≈ 27,7 m. In het (v,t)-diagram hieronder is dat precies de totale oppervlakte: een rechthoek (reactie) plus een driehoek (remmen).

(v,t)-diagram van een noodstop bij 50 kilometer per uur: één seconde constante snelheid van 13,9 meter per seconde, daarna een rechte daling naar nul bij 2,98 seconde. De rechthoek eronder is de reactieafstand, de driehoek de remweg. 0123 t (s) 051015 v (m/s) reactie-afstand13,9 m remweg13,8 m helling = −7,0 m/s²
Noodstop vanaf 50 km/h (13,9 m/s). Oppervlakte rechthoek: 13,9 × 1,0 = 13,9 m. Oppervlakte driehoek: ½ × 1,98 × 13,9 = 13,8 m. De helling van het dalende stuk is de remvertraging.

Wat gebeurt er bij 100 km/h? Dan is v = 27,8 m/s. De reactieafstand verdubbelt naar 27,8 m. Het remmen duurt 27,8 / 7,0 = 3,97 s, en de remweg wordt ½ × 3,97 × 27,8 = 55,1 m — vier keer zo lang. Totaal: 82,9 m, dus bijna drie keer de stopafstand bij 50 km/h. De remweg groeit kwadratisch met de snelheid; algemeen geldt srem = v² / (2a). Dat is ook de reden dat de kinetische energie (½mv²) die de remmen moeten omzetten in warmte, kwadratisch toeneemt.

Op nat wegdek daalt de remvertraging tot ongeveer 4 à 5 m/s², en na alcohol of met een telefoon in de hand kan de reactietijd oplopen tot 1,5 à 2 s. Beide factoren kun je direct in dit rekenmodel invullen.

Veelgestelde vragen

Wat is het verschil tussen snelheid en versnelling?

Snelheid is hoeveel meter je per seconde aflegt (m/s). Versnelling is hoeveel die snelheid per seconde verandert (m/s²). Een auto die constant 100 km/h rijdt heeft een grote snelheid maar geen versnelling; een auto die net optrekt heeft een kleine snelheid maar wel een grote versnelling.

Hoe reken je km/h om naar m/s?

Deel door 3,6. Eén km/h is 1000 meter per 3600 seconden, dus 1/3,6 m/s. Voorbeeld: 72 km/h / 3,6 = 20 m/s. Andersom, van m/s naar km/h, vermenigvuldig je met 3,6.

Wat is de formule voor een eenparig versnelde beweging?

Vanuit stilstand geldt v = a · t en s = ½ · a · t². Met een beginsnelheid wordt het v = vbegin + a · t en s = vbegin · t + ½ · a · t². Je kunt ook de gemiddelde snelheid (vbegin + veind) / 2 vermenigvuldigen met de tijd.

Wat geeft de oppervlakte onder een (v,t)-diagram?

De afgelegde afstand. Bij constante snelheid is dat een rechthoek (v · t), bij een eenparig versnelde beweging vanuit stilstand een driehoek (½ · v · t). De helling van een (v,t)-diagram geeft de versnelling.

Hoe bepaal je de snelheid uit een (x,t)-diagram?

De snelheid is de helling van de grafiek: Δx gedeeld door Δt. Bij een rechte lijn kun je twee willekeurige punten nemen. Bij een kromme teken je een raaklijn in het gevraagde punt en bepaal je de helling van die raaklijn.

Hoe lang is de stopafstand bij 50 km/h?

Met een reactietijd van 1,0 s en een remvertraging van 7 m/s² ongeveer 28 meter: 13,9 m reactieafstand plus 13,8 m remweg. Bij 100 km/h is het ongeveer 83 meter, omdat de remweg kwadratisch met de snelheid groeit.

Verder lezen