Sinds 1983 is de waarde van c exact vastgelegd; de meter is sindsdien gedefinieerd als de afstand die licht in 1/299 792 458 seconde aflegt. Voor alle elektromagnetische golven geldt c = f · λ. In een stof gaat licht langzamer: v = c / n, met n de brekingsindex. In water (n ≈ 1,33) is dat ongeveer 225 000 km/s, in glas ongeveer 200 000 km/s. Dat snelheidsverschil veroorzaakt breking.
De Deense astronoom Ole Rømer leidde in 1676 als eerste af dat licht een eindige snelheid heeft, uit afwijkingen in de verduisteringstijden van Jupitermaan Io. Hippolyte Fizeau mat de lichtsnelheid in 1849 op aarde met een draaiend tandwiel. Albert Einstein maakte er in 1905 een hoeksteen van zijn speciale relativiteitstheorie van: c is voor elke waarnemer gelijk en geen voorwerp met massa kan haar bereiken. Ook zwaartekrachtgolven bewegen met de lichtsnelheid.
Voorbeelden: licht van de Zon doet ongeveer 8 minuten en 20 seconden over de 150 miljoen km naar de Aarde, licht van de Maan 1,3 s. Een lichtjaar is de afstand die licht in een jaar aflegt: 9,46 × 10¹² km. Rekenvoorbeeld: rood licht met λ = 650 nm heeft een frequentie f = c / λ = 3,00 × 10⁸ / 650 × 10⁻⁹ ≈ 4,62 × 10¹⁴ Hz.
In welke discipline?
Natuurkunde (optica, elektromagnetisme, relativiteit) en sterrenkunde (afstanden in het heelal).