Pijlerartikel · Klimaat

Klimaatzones: de Köppen-indeling

Een klimaatzone is een groot gebied met een vergelijkbaar gemiddeld weer over minstens dertig jaar. Volgens de veelgebruikte indeling van Köppen zijn er vijf hoofdklimaten: tropisch (A), droog (B), gematigd (C), landklimaat of koud gematigd (D) en poolklimaat (E). Nederland en België hebben een gematigd zeeklimaat: Cfb.

Weer is wat je vandaag buiten meemaakt; klimaat is het gemiddelde weer, met de normale spreiding, over een periode van 30 jaar. De Russisch-Duitse klimatoloog Wladimir Köppen ontwierp rond 1900 een indeling die nog altijd in atlassen en schoolboeken staat. Zijn slimme idee: hij gebruikte de begroeiing als meetinstrument. Regenwoud, savanne, woestijn, loofbos, taiga en toendra liggen elk binnen vaste grenzen van temperatuur en neerslag, en die grenzen legde Köppen vast in eenvoudige rekenregels.

De vijf hoofdklimaten van Köppen

Elke klimaatzone krijgt een code van twee of drie letters. De hoofdletter geeft het hoofdklimaat, vooral op basis van temperatuur (behalve B, dat op droogte is gebaseerd).

Hoofdklimaten volgens Köppen, met criteria en voorbeelden
CodeHoofdklimaatCriteriumBegroeiingVoorbeelden
Atropisch klimaatkoudste maand gemiddeld ≥ 18 °Ctropisch regenwoud, savanneSingapore, Manaus (Amazone), Paramaribo, Kinshasa
Bdroog klimaatmeer verdamping dan neerslag (grens hangt af van de temperatuur)woestijn, steppeCaïro, Riyad, Sahel, Mongolië, Curaçao en Bonaire
Cgematigd klimaatkoudste maand tussen −3 °C en 18 °C; warmste maand ≥ 10 °Cloofbos, mediterrane struikenAmsterdam, Brussel, Londen, Rome, Shanghai
Dlandklimaat (koud gematigd)koudste maand < −3 °C; warmste maand ≥ 10 °Cgemengd bos, taiga (naaldbos)Moskou, Montreal, Novosibirsk, Peking
Epoolklimaatwarmste maand < 10 °Ctoendra of geen (ijs)Spitsbergen, binnenland van Groenland, Antarctica

De grens van 10 °C voor de warmste maand is ongeveer de boomgrens: kouder dan dat groeien er geen bossen meer. De grens van 18 °C voor de koudste maand is ongeveer de grens waar tropische planten nog vorstvrij en het hele jaar door kunnen groeien. Sommige atlassen gebruiken 0 °C in plaats van −3 °C als grens tussen C en D, en voegen een aparte zone H (hooggebergte) toe.

De lettercode ontcijferd

De tweede letter zegt iets over de neerslag (bij A, C, D) of over het soort droogte (bij B), de derde over de zomertemperatuur.

Tweede en derde letter van de Köppen-code
LetterBetekenisVoorbeeld
fhet hele jaar neerslag, geen droge tijd (Duits feucht)Af tropisch regenwoud; Cfb zeeklimaat
mmoessonklimaat: korte droge tijd, zeer natte regentijdAm: kust van West-India
wdroge winter (Winter trocken)Aw savanne; Cwa Hongkong
sdroge zomer (Sommer trocken)Csa mediterraan klimaat: Rome, Athene
W / Sbij B: woestijn (Wüste) of steppeBWh Sahara; BSk Spaanse hoogvlakte
a / b / cwarmste maand ≥ 22 °C (a); < 22 °C met minstens 4 maanden ≥ 10 °C (b); koeler (c)Cfa Shanghai; Cfb Amsterdam; Dfc taiga
h / kbij B: heet of koud (jaargemiddelde boven of onder 18 °C)BWh Caïro; BWk Gobi

Welke factoren bepalen het klimaat?

1. Breedteligging en zonnehoogte. Hoe hoger de zon staat, hoe meer energie er per vierkante meter valt: de straling wordt dan over een kleiner oppervlak verdeeld. Dat is de belangrijkste reden voor de indeling in zones van evenaar naar pool (zie breedtegraad).

hmax = 90° − φ + δ    E ∝ sin h
hmax
zonnehoogte om 12 uur zonnetijd, in graden
φ
breedtegraad van de plaats (Nederland ≈ 52° N)
δ
declinatie van de zon: +23,4° op 21 juni, 0° bij de equinoxen, −23,4° op 21 december
E
instraling per m² horizontaal oppervlak (zonder atmosfeer)

Rekenvoorbeeld. In De Bilt (52° N) is de middagzon op 21 juni 90 − 52 + 23,4 = 61,4° hoog, op 21 december 90 − 52 − 23,4 = 14,6°. De verhouding van de instraling is sin 61,4° / sin 14,6° = 0,878 / 0,252 ≈ 3,5. Rond de middag valt er in de zomer dus 3,5 keer zoveel zonne-energie op elke m² als in de winter, en de dagen zijn ook nog twee keer zo lang. Op de evenaar staat de zon het hele jaar hoog: daar is het altijd warm en is het verschil tussen de seizoenen klein.

2. De algemene luchtcirculatie. Bij de evenaar stijgt warme, vochtige lucht op; die koelt af en regent uit (de tropische regengordel). Rond 30° noorder- en zuiderbreedte daalt de lucht weer en warmt op, waardoor wolken oplossen: een gordel van hoge luchtdruk met de grote woestijnen, van de Sahara tot Australië. Op onze breedte trekken depressies met westenwinden van oceaan naar land (zie wind en luchtdruk).

3. Afstand tot de zee. Water heeft een veel grotere soortelijke warmte dan land en warmt dus langzaam op en koelt langzaam af. Kustgebieden hebben een zeeklimaat: koele zomers, zachte winters. Het binnenland van grote continenten heeft een landklimaat met grote verschillen. Moskou heeft een warmere zomer dan Amsterdam, maar een veel koudere winter.

4. Zeestromen. De Golfstroom en zijn verlengde, de Noord-Atlantische Stroom, voeren warm water naar Noordwest-Europa. Daardoor is het in Bergen (Noorwegen) in de winter veel zachter dan op dezelfde breedte in Canada. Koude stromen, zoals de Humboldtstroom langs Peru en Chili, koelen de lucht af en maken de kust juist droog: de Atacamawoestijn (zie zeestromen).

5. Hoogte. In de onderste laag van de atmosfeer daalt de temperatuur met gemiddeld ongeveer 0,65 °C per 100 meter. Een berg die 3 000 m boven zijn omgeving uitsteekt is aan de top dus ongeveer 30 × 0,65 ≈ 20 °C kouder. Daarom ligt er op de Kilimanjaro, vlak bij de evenaar, sneeuw en ijs.

6. Reliëf. Gebergten dwingen lucht omhoog. Aan de loefzijde koelt de lucht af en valt veel regen (stuwingsregen), aan de lijzijde daalt droge lucht: een regenschaduw (zie wolken en neerslag).

Waar is het warm en vochtig?

Een warm en vochtig klimaat vind je in twee zones. Het tropisch regenwoudklimaat (Af) rond de evenaar is het hele jaar heet (rond 25–28 °C) en nat, met meestal meer dan 2 000 mm regen per jaar; elke middag vormen zich onweersbuien. Voorbeelden zijn het Amazonegebied, het Kongobekken, Indonesië en Suriname. Het vochtig subtropisch klimaat (Cfa) heeft hete, benauwde zomers en koele winters, bijvoorbeeld in het zuidoosten van de Verenigde Staten, Oost-China en Zuid-Japan. Het moessonklimaat (Am) en savanneklimaat (Aw) zijn ook warm, maar hebben een duidelijke droge tijd.

Tropische regenwouden zijn het rijkst aan soorten van alle klimaatzones (zie biodiversiteit). Wat ‘vochtig’ voelt, hangt overigens niet alleen af van regen maar vooral van de luchtvochtigheid: warme lucht kan veel meer waterdamp bevatten dan koude lucht, waardoor zweet slecht verdampt.

Het klimaat van Nederland en België: Cfb

Nederland en België hebben een gematigd zeeklimaat, code Cfb:

  • C: de koudste maand (januari) ligt gemiddeld rond 3 à 4 °C, ruim boven −3 °C en onder 18 °C;
  • f: het regent in alle seizoenen, in totaal zo’n 800 à 900 mm per jaar, zonder droge tijd;
  • b: de warmste maand (juli) ligt gemiddeld rond 18 °C, dus onder 22 °C, en er zijn meer dan vier maanden met een gemiddelde boven 10 °C.

Het gemiddelde over het jaar ligt rond 10 à 11 °C. De westenwind brengt vrijwel steeds lucht van de Atlantische Oceaan aan, verwarmd door de Noord-Atlantische Stroom: dat maakt onze winters zacht en onze zomers koel. Valt de wind langere tijd uit het oosten, dan krijgen we een vleugje landklimaat: strenge vorst in de winter, hitte in de zomer. In het binnenland, zoals Zuid-Limburg en de Belgische Ardennen, zijn de winters wat kouder dan aan de kust; de Hoge Venen hebben door de hoogte (bijna 700 m) het koelste klimaat van de Benelux.

Rekenvoorbeeld. Stel dat juli in de toekomst gemiddeld 22,5 °C wordt. Dan voldoet Nederland niet meer aan ‘b’ (warmste maand onder 22 °C) en wordt de code Cfa, zoals nu in Noord-Italië. Zo kunnen klimaatzones door klimaatverandering verschuiven: de grenzen bewegen naar de polen en de bergen op.

Klimaatzones verschuiven

Klimaatzones zijn niet vast. Tijdens de laatste ijstijd, zo’n 20 000 jaar geleden, had Nederland een poolklimaat met toendra; in warme perioden daarvoor leefden hier nijlpaarden. Nu verschuiven de zones snel door het versterkte broeikaseffect. In Nederland is de gemiddelde temperatuur sinds het begin van de 20e eeuw al meer dan 2 °C gestegen, sneller dan het wereldgemiddelde. Gevolgen zijn zachtere winters, vaker hitte en hevigere buien. Op wereldschaal schuiven droge gebieden op en kruipt de boomgrens naar het noorden en de bergen op. Planten en dieren moeten meeschuiven of zich aanpassen; soorten die dat niet snel genoeg kunnen, zoals bergsoorten die al op de top zitten, raken hun leefgebied kwijt.

Veelgestelde vragen

Welke klimaatzones zijn er?

Volgens Köppen zijn er vijf hoofdklimaten: tropisch klimaat (A), droog klimaat (B), gematigd klimaat (C), landklimaat of koud gematigd klimaat (D) en poolklimaat (E). Met extra letters worden die verder verdeeld, bijvoorbeeld Af (tropisch regenwoud) en Cfb (zeeklimaat).

Welk klimaat heeft Nederland?

Nederland heeft een gematigd zeeklimaat, Cfb volgens Köppen: zachte winters (januari rond 3 à 4 °C), koele zomers (juli rond 18 °C) en het hele jaar door neerslag, zo’n 800 à 900 mm per jaar. België heeft hetzelfde klimaat.

Waar heb je een warm en vochtig klimaat?

Vooral in het tropisch regenwoudklimaat (Af) rond de evenaar, zoals in het Amazonegebied, het Kongobekken, Indonesië en Suriname: het hele jaar ongeveer 25 tot 28 °C en veel regen. Ook het vochtig subtropisch klimaat (Cfa), zoals in Oost-China en het zuidoosten van de VS, heeft hete, vochtige zomers.

Wat betekent Cfb?

C staat voor gematigd klimaat (koudste maand tussen −3 en 18 °C), f voor neerslag in alle seizoenen zonder droge tijd en b voor een warmste maand onder 22 °C met minstens vier maanden boven 10 °C.

Welke factoren bepalen het klimaat van een gebied?

De breedteligging (zonnehoogte), de algemene luchtcirculatie, de afstand tot de zee, zeestromen, de hoogte boven zeeniveau en het reliëf, zoals gebergten die regen tegenhouden.

Wat is het verschil tussen zeeklimaat en landklimaat?

Een zeeklimaat heeft zachte winters en koele zomers omdat de zee langzaam opwarmt en afkoelt. Een landklimaat, ver van zee, heeft strenge winters en warme zomers met grote temperatuurverschillen.

Verder lezen