Stappenplan · Natuurkunde

Soortelijke warmte berekenen

Met Q = m · c · ΔT bereken je hoeveel warmte (Q, in joule) een stof opneemt of afstaat: massa maal soortelijke warmte maal temperatuurverandering. Water heeft c = 4 186 J/(kg·K), lucht ongeveer 1 005 J/(kg·K). Dit stappenplan werkt de berekening uit in zes stappen, met drie voorbeelden: een boiler, de lucht in een kamer en het koelvermogen van een airco.

Q = m · c · ΔT     met   ΔT = Teind − Tbegin

Symbolen: Q = warmte (J), m = massa (kg), c = soortelijke warmte (J/(kg·K)), ΔT = temperatuurverandering (K of °C). De achtergrond en de natuurkunde erachter lees je in het artikel over soortelijke warmte.

In zes stappen

  1. Stap 1 — Noteer de gegevens en wat er gevraagd wordt

    Schrijf m, c, begin- en eindtemperatuur en de gevraagde grootheid (meestal Q) op. Reken met de formule Q = m · c · ΔT.

  2. Stap 2 — Zet alles om naar SI-eenheden

    Massa in kg (1 L water ≈ 1 kg; voor lucht m = ρ · V met ρ ≈ 1,2 kg/m³), energie in J (1 kJ = 1 000 J, 1 kWh = 3,6 MJ).

  3. Stap 3 — Bereken het temperatuurverschil ΔT

    ΔT = eindtemperatuur − begintemperatuur. Een verschil van 1 °C is gelijk aan 1 K, dus je hoeft niet naar kelvin om te rekenen.

  4. Stap 4 — Zoek de soortelijke warmte c op

    Gebruik een tabel of Binas. Water: 4 186 J/(kg·K); lucht: ca. 1 005 J/(kg·K).

  5. Stap 5 — Vul in en reken uit

    Q = m · c · ΔT. Zoek je een andere grootheid, herschrijf dan eerst: c = Q / (m · ΔT), m = Q / (c · ΔT) of ΔT = Q / (m · c).

  6. Stap 6 — Controleer eenheid en teken

    Q komt uit in joule. Positief betekent opgenomen warmte, negatief afgestane warmte. Controleer of de orde van grootte klopt.

Tabel: soortelijke warmte van veelgebruikte stoffen

Soortelijke warmte bij kamertemperatuur en normale druk (afgeronde waarden)
Stofc in J/(kg·K)c in kJ/(kg·K)
Water (vloeibaar)4 1864,19
IJs (rond 0 °C)2 0902,09
Waterdamp≈ 2 010≈ 2,0
Ethanol2 4402,44
Hout≈ 1 700≈ 1,7
Lucht (bij constante druk, cp)1 0051,005
Lucht (bij constant volume, cv)7180,718
Beton≈ 880≈ 0,88
Glas≈ 840≈ 0,84
Aluminium8970,90
IJzer / staal≈ 450≈ 0,45
Koper3850,39
Lood1290,13

Soortelijke warmte van lucht bij 15 °C: cp ≈ 1,005 kJ/(kg·K). Tussen −20 °C en +50 °C verandert die waarde minder dan 0,5%, dus voor bijna alle berekeningen mag je 1 005 J/(kg·K) gebruiken. Voor verwarmen of koelen van ruimtelucht (die vrij kan uitzetten) gebruik je cp, niet cv. De dichtheid van lucht is bij 15 °C ongeveer 1,23 kg/m³ en bij 20 °C ongeveer 1,20 kg/m³.

Drie uitgewerkte voorbeelden

Veelgemaakte fouten

  • Gram in plaats van kilogram: c staat per kg, dus 250 g wordt 0,250 kg.
  • kJ en J door elkaar: staat c in kJ/(kg·K), dan komt Q ook in kJ uit.
  • Volume invullen als massa: bij water mag 1 L ≈ 1 kg, bij lucht niet: 1 m³ lucht is maar ongeveer 1,2 kg.
  • Faseovergang vergeten: smelt of verdampt de stof onderweg, dan heb je ook smelt- of verdampingswarmte nodig. Q = m · c · ΔT geldt alleen binnen één fase. Zie faseovergangen.

Veelgestelde vragen

Wat is de eenheid van Q bij warmteoverdracht?

Q is een hoeveelheid energie en wordt uitgedrukt in joule (J). In de praktijk gebruik je ook kJ, MJ of kWh (1 kWh = 3,6 MJ). Het vermogen, warmte per seconde, is in watt (W = J/s).

Wat is de soortelijke warmte van lucht bij 15 graden?

Bij constante druk is cp van droge lucht bij 15 °C ongeveer 1,005 kJ/(kg·K), dus 1 005 J/(kg·K). Bij constant volume is cv ongeveer 0,718 kJ/(kg·K).

Wat is de soortelijke warmte van water?

Vloeibaar water heeft c ≈ 4 186 J/(kg·K), afgerond 4,19 kJ/(kg·K). Dat is 1 kcal per kg per graad: de calorie was oorspronkelijk zo gedefinieerd.

Hoe bereken je de soortelijke warmte c zelf?

Herschrijf de formule: c = Q / (m · ΔT). Voorbeeld: 9,0 kJ verwarmt 0,50 kg metaal 20 K; c = 9 000 / (0,50 × 20) = 900 J/(kg·K), vrijwel de waarde van aluminium.

Mag ik ΔT in graden Celsius invullen?

Ja. Een temperatuurverschil van 1 °C is precies even groot als 1 K. Alleen absolute temperaturen (zoals in de gaswet) moet je naar kelvin omrekenen.

Verder lezen