De vier grote reservoirs
| Reservoir | Hoeveelheid (gigaton C) |
|---|---|
| Atmosfeer (als CO₂) | ≈ 870 |
| Biosfeer (levend en dood) | ≈ 2 000 |
| Oceanen | ≈ 38 000 |
| Gesteenten en fossiele brandstoffen | ≈ 80 000 000 |
De atmosfeer is dus het kleinste reservoir — daarom heeft elke verschuiving een groot effect op de CO₂-concentratie in de lucht.
De snelle cyclus
De snelle cyclus duurt dagen tot jaren en draait om levende wezens:
- Fotosynthese — planten halen CO₂ uit de lucht en bouwen het in tot suikers en cellulose.
- Cellulaire ademhaling — planten, dieren en bacteriën verbranden suikers en geven CO₂ terug.
- Voedselketens — koolstof reist mee van plant naar dier naar afval.
- Afbraak — bacteriën en schimmels breken dood materiaal af, met CO₂ als bijproduct.
- Oceaan-uitwisseling — CO₂ lost op in zeewater en komt deels weer vrij.
De trage cyclus
De trage cyclus duurt duizenden tot miljoenen jaren:
- Verwering van gesteenten bindt CO₂ uit de lucht in carbonaten.
- Sedimentatie — schelpen en plankton zinken naar de zeebodem en vormen kalksteen.
- Subductie — gesteenten met koolstof zinken in de aardmantel.
- Vulkanisme geeft CO₂ terug aan de atmosfeer.
- Fossiele brandstoffen — afgestorven leven uit het Carboon werd onder druk steenkool, olie en gas.
Koppeling met klimaat
CO₂ is een broeikasgas: het laat zonlicht door, maar houdt warmtestraling vast. Meer CO₂ → meer warmte vastgehouden → opwarming. Daardoor verandert zeespiegel, neerslagpatroon en de leefomgeving van soorten.