Twee soorten lenzen
- Convexe lens (bol) — dik in het midden, dun aan de rand. Verzamelt parallel licht in één brandpunt. Positieve brandpuntsafstand f.
- Concave lens (hol) — dun in het midden, dik aan de rand. Verspreidt parallel licht; lijkt uit een virtueel brandpunt te komen. Negatieve f.
Brandpuntsafstand wordt in meter (m) of voor brillenformule in dioptrie (1/m).
Lenzenformule
1/b + 1/v = 1/f
- b
- beeldafstand (m)
- v
- voorwerpsafstand (m)
- f
- brandpuntsafstand (m); positief voor convex, negatief voor concaaf
Vergroting
De lineaire vergroting N volgt uit: N = b / v. Een |N| > 1 betekent een vergroot beeld; |N| < 1 een verkleind beeld. Een negatieve N wijst op een omgekeerd beeld.
Beeldconstructie met drie hoofdstralen
Door drie speciale stralen vanuit een voorwerpspunt te tekenen, vind je het bijbehorende beeldpunt:
- Een straal evenwijdig aan de hoofdas, die gaat na de lens door het brandpunt.
- Een straal door het midden van de lens, die ongebroken doorloopt.
- Een straal door het voorwerpzijdige brandpunt, die na de lens evenwijdig aan de hoofdas loopt.
De drie stralen kruisen in het beeldpunt.
Toepassingen
- Bril of contactlens — corrigeert een te kort (hypermetropie) of te lang (myopie) oog.
- Camera — een lensgroep projecteert het beeld op de sensor.
- Microscoop — twee bolle lenzen geven enorme vergroting.
- Telescoop — verzamelt licht van verre objecten. Christiaan Huygens en Galileo bouwden de eerste varianten.
- Loep en projector — convexe lens om vergroot beeld te zien of te projecteren.